Horizontaliteit ipv verticaliteit

Afbeelding

Jacques de Visscher, Toewijding. Voorbij autonomie en zelfbeschikking. Hommage aan Cornelis Verhoeven, Annalen van het Thijmgenootschap, Jrg. 99, nr. 4 Nijmegen 2011  (Valkhof Pers) p. 78-97

HOOFDSTUK 4

De andere dimensie van het leven

‘De tweede gang der machtige Natuur, het hoofdgerecht op ‘s levens feest’

De slaap behoort tot de passieve dimensie van ons bestaan. Over die slaap schrijft Shakespeare lyrisch en veelbetekenend:

Sleep, that knits up the ravell’d sleave of care

The death of each day’s life, sore labour’s bath,

Balm of hurt minds, great Nature’s second course,

Chief nourisher in life’s Least (Macbeth11.2:36-39a).

Macbeth vermoordt zijn koning en gast tijdens diens slaap. Heiligschennis is dat, want naast die moord op de goede oude Duncan doodt hij, de strijdlustige held van de voorbije dagen, ook de slaap, het zinnebeeld van de machteloosheid en de onschuld. Macbeth maakt van zijn verticale overmacht misbruik om, zich vooroverbuigend, de neerliggende slapende naakte Duncan te overvallen en van het leven te beroven. De activiteit en het geweld van de verticaliteit halen het op de passiviteit en de zwakheid van de horizontaliteit. Dat gebeurt meer.

Wat Shakespeare over de slaap schrijft, kunnen we verruimen en opentrekken naar de sfeer van het pathische,van de receptiviteit voor het andere, van de rustige verwerking van het voorbije. Zij is ook “great Nature’s second course” en niet het minst “chief nourisher in life’s feast”, niet alleen de tweede – na een inleidende of voorbereidende- gang die de genereuze natuur ons op de feestdis van het leven biedt. Ze is echter vooral de helende dimensie,het heilzame geschenk par excellence dat ons gemoed zo deugd doend weet te voeden. In die passieve sfeer grijpen we niet zozeer op het leven in, maar zijn we voor de omgeving ontvankelijk, zoals ons gemoed in die begunstig de momenten wanneer “sommige rozengeuren zwevend door de vochtige avondlucht de eigenschap hebben onze neusvleugels te verwijden”.(27)[1]

Het is niet uitsluitend in de slaap dat we van de drukke activiteiten herstellen, ook in het rustgevende dagdromen en mijmeren komen we tot inkeer en rust. Het freudiaanse buiten beschouwing gelaten, is er een dromen dat vrij is van het activistisch fantaseren, het construerend bedenken van utopieën, waarin we onze grenzen te buiten gaan en de werkelijkheid naar onze hand willen zetten. Er is daarentegen een dromen als mijmeren dat ons de gelegenheid geeft langer bij de dingen halt houden, te overwegen wat nu ter zake is of, gewoon, te verwijlen in “een wijze van waarnemen die niet in functie staat van enige drang tot ingrijpen of enig gevoel van verantwoordelijkheid ten opzichte van hetgeen waargenomen wordt”(GB64).We zeggen soms ‘stilstaan’, maar voor die stilte, voor dat oponthoud hoeven we in de fysieke betekenis van het woordniet op beide voeten te blijven staan, ook niet perse te gaan liggen. Van belang is dat we in geest en gemoed de activistische houding (de verticaliteit) kunnen opschorten om bij de omgeving te mijmeren (de pathische horizontaliteit).We beseffen dit tijdens die ‘nutteloze’ wandelingen die geen kilometervretende prestaties zijn om onze lichamelijke conditie berekend en meetbaar op peil te houden, ook tijdens die uren dat we ons de tijd gunnen om ons na de maaltijd loom te voelen, en om tijdens een siësta op de bank te liggen dommelen zonder echt te slapen(IN 42)of op een stadsterras bij een frisse chardonnay naar de mensen te kijken. En waarom maken we geen beter gebruik van ons bed? In bed kruipen we toch niet alleen maar om erin te slapen, om er te gehoorzamen aan de nacht, om te zwichten “voor de goddelijke macht van de duisternis” (GG46). We kunnen er ons  – overdag –  in verschuilen,zoals kinderen dat onder het bed doen. Daarvoor hoeven we niet angstig of depressief te zijn. Afgezien van het feit dat het bed die ideale plek is om er  niet alleen in momenten van slapeloosheid – ongestoord te lezen, kunnen we erin wegdromen om er het ontplooide van de drukke werkdag weer tot zijn plooien te laten komen, en dit tot we voelen dat onze oogleden loodzwaar worden en we zullen inslapen.“Sore labour’s bath, halm of hurt minds”, zoals Shakespeare schrijft. Tijdens onze verticale waakzame tijd lopen we kleine kneuzingen op, vermoeien we ons of werken we hardnekkig door tot we niet meer weten waar ons hoofd staat en we niet meer durven twijfelen aan wat we als gemakkelijke vanzelfsprekendheden aannemen. Kennen we niet pas dan de verdwazing van en door het activisme wanneer de vermoeidheid ons velt of ons toch tot enige ‘horizontaliteit’ dwingt? In bed relativeren we onze zelfstandigheid. Dat lukt ons niet zo maar. Er is immers een drift om door te zetten waardoor we niet bereid zijn onszelf enige vermoeidheid te gunnen. Soms hebben we een of ander ‘ziek zijn’ nodig om te beseffen dat onze zelfstandigheid ons parten speelt, ons bedriegt en ons een dure tol doet betalen. Het gaat dan niet zozeer om een of andere kleine fysieke kwaal die ons enig ongemak bezorgt waarvoor we een arts roepen die ons dringend – technisch – moet genezen. Het gaat veeleer om onze blinde vlek,waartegen geen enkele biopolitiek iets vermag. In deze voor meditatie ontvankelijke sfeer ontdekken we – misschien – wat er aan de hand is.

Een treffend voorbeeld hiervan evoceert Le lit, een kleine novelle, waarvan Guy de Maupassant de kunst uitstekend beheerste. Aan het woord is een levenslustige vrouw -bedlegerig door een voorbijgaande ongesteldheid – ineen brief aan haar vriend, een kapelaan. In haar eeuwenoud bed denkt ze aan de jonge moeder die er haar kind heeft gebaard, ook aan de geliefden die er de tederheid hebben leren kennen als ze elkaar voor het eerst voelen,huid tegen huid in deze levenstabernakel (tabernacle de la vie); ze denkt echter ook aan de dood en aan allen die tot God hun laatste adem hebben opgezonden, misschien in angst of in vreselijke wanhoop, misschien in een pijnlijke doodsstrijd of in serene gelatenheid. Le lit, c’est  l’homme, zo besluit ze, en maakt daarbij de bedenking dat Jezus dan toch niet zo menselijk is want op stro geboren en aan het kruis gestorven, scheen hij geen bed nodig te hebben; daarentegen heeft hij aan de schepselen “hun sponde van zachte rust gelaten”.(28)[2]

In bed gebeurt nog iets meer. Vrij van onmiddellijke praktische taken kunnen we er, zoals op een bank of in een sofa voor de open haard, ook mijmeren “dat niet tot doel heeft bepaalde conclusies te bereiken, maar alleen beoogt de verloren intimiteit met de dingen te herstellen” (IV 155).Vanuit het activisme lijkt dit zinloos,alleen vergeten we hierbij dat dit ritardando in het denken tussen verleden en toekomst bemiddelt en bijgevolg elementaire noodzakelijkheid is. Het kan helen en ons ontvankelijk houden voor wat ons overkomt. Voor het mijmeren is er enige luciditeit en rust nodig. Zulke stille momenten zijn ook aanwezig in die mijmering waarin we vrij kunnen associëren, de dingen in hun relativiteit (in hun weefsel van relaties) ontdekken. Zo’n mijmering verruimt ons besef van en onze betrokkenheid op de dingen; zij kan het kleine met het grote verbinden. Ze suggereert een creatieve sfeer ‘onder’ onze eigenlijke lucide ervaring die een reflectie nodig heeft om haar als ervaring te onderkennen, vandaar dat “we alleen kunnen bestuderen wat we eerst gedroomd hebben”,schrijft de wetenschapsfilosoof Gaston Bachelard die eraan toevoegt dat de wetenschap zich eerder uit een mijmering (rêverie )ontwikkelt dan uit objectieve evidenties.(29)[3]

Kan het bed waarin we ons terugtrekken de plaats zijn waar we piekeren en onze onrust koesteren, ongestoord herinneringen oproepen en ons verdriet verwerken, het is ook de plaats van de introspectie, van het bezinnende denken en het overwegen met zichzelf, ook van het bidden. Misschien wordt er in onze geseculariseerde tijd zelfs meer in bed gebeden dan in de kerken of in de traditionele bedeplaatsen.

Natuurlijk houden we geen pleidooi voor de slapeloosheid die ongelukkige mensen beroven van elke levensvreugde omdat ze weten dat ze, nooit uitgerust, zich met lage rugpijn de komende dagen alleen maar zwaarmoedig zullen voortslepen. We kunnen echter wel vermoeden dat sommige mensen in hun bed te weinig wakker liggen en zichzelf nooit de gelegenheid gunnen na te denken. Het is dus niet zo vanzelfsprekend dat alleen de verticale houding op waakzaamheid aanspraak kan maken en dat de horizontale of neerliggende houding slechts het zinnebeeld van de loutere of zelfs lege passiviteit, van het oblomovisme zou zijn.

De horizontale houding is nu niet uitsluitend de positie voor de slaap om voor de daaropvolgende ochtend opnieuw ‘jong, fris en krachtig’ de problemen van de nieuwe dag aan te kunnen. Horizontaliteit vooronderstelt ook dat we oog hebben voor wat zich rondom ons afspeelt en dat er een horizon is die aan onze omgeving grenzen stelt. Op zich is dat al een bron van verwondering en een uitnodiging tot beschouwelijkheid waarin we bijvoorbeeld overwegen waar we aan toe zijn. Daarom kunnen we hier spreken van een hogere vorm van mentale waakzaamheid, van een levende aandacht. We kijken en luisteren met het innerlijke of tweede oog en oor naar wat we in ons bestaan als werkelijkheid ervaren en waarvoor we ons dankbaar gestemd weten. Voor dit beschouwen gebruiken we ook ‘contemplatie’, dit passieve denken dat zich openstelt” voor het geschenk, voor het inzicht, dat geen product is van een denkend presenteren, en voor de werkelijkheid die anders is dan verwacht kan worden”(RL,154).

De contemplatie ontkent onze zelfstandigheid niet, integendeel. Hoewel wij haar niet als het einddoel van onze beschouwelijkheid, van onze dromerijen en mijmeringen opvatten, schakelen we haar ook niet uit. We onderkennen eerder haar bezieling dan haar gedrevenheid. We zien haar, ontegensprekelijk aanwezig in de luciditeit van ons denken, in dienst van iets dat zij niet zelf produceert, met name ontvankelijkheid voor invallen, voor inzichten, verbonden met de verwondering en het kunnen verwijlen. We vooronderstellen of ontdekken die ontvankelijkheid in onze dromerijen en mijmeringen die we helemaal niet kunnen berekenen of programmeren. De contemplatie past in de bereidheid om tot ons te laten komen wat we zelf niet beslissen, construeren of uitlokken. In dit oponthoud van de activistische bedrijvigheid ontvouwt zich een openheid die ons toelaat te kunnen wachten wat naar ons toekomt. Toont zich hier geen wijsheid van het afwachten waarin we niet zozeer aan onze zelfstandigheid verzaken,maar waarin we eerder haar eigenmachtigheid opschorten opdat deze geen hinderpaal zou vormen voor het andere dat we zelf niet kunnen bedenken? Dit hoeft anderzijds niet met zich mee te brengen dat we het oponthoud eindeloos zouden aanhouden. Dat zou ons opnieuw in de zwaarmoedigheid of de wereldverloochening van het oblomovisme storten.

Een blinde vlek

Afwachten en verwijlen, dromen en mijmeren, nadenkenen stilstaan bij de dingen – hoe eenvoudig en gemakkelijk het ook moge lijken – zijn een voor een houdingen, zelfs activiteiten, waartoe we niet zo maar besluiten, integendeel. Ingekleed in talloze anekdotes, situaties en verhalen domineert immers één idee onze oriëntatie in de wereld:’zelfstandig zijn’ en daarin ongehinderd volharden. Deze idee maakt dat we niet onmondig blijven, maar altijd een antwoord klaar (zouden moeten) hebben op vragen en bevelen van de buitenwereld. Deze idee ligt aan de basis van de remedies tegen onze kwetsbaarheid, van onze verdediging tegen de afgunst van anderen en, in de geest van de Franse Revolutie, van onze eis erkend te worden als volwaardige burgers die assertief hun rechten opvorderen.

Ligt nu de eindeloze duurzaamheid in de lijn van onze spreekwoordelijke verticaliteit, die ononderbroken zelfstandigheid is, zoals gezegd, een onmogelijkheid. Niettemin houden we vast aan haar evidentie en willen we er niet aan tornen, omdat ons leven anders absurd zou zijn. Bijnader toezien blijkt die hardnekkige zelfhandhaving een blinde vlek te verbergen (CG127-138). Door juist zo rechtlijnig en trots vast te houden aan onze zelfstandigheid, hebben we geen oog voor iets dat niet minder wezenlijk is voor ons bestaan, de dimensie die we met Shakespeare “Chief nourisher in life’s feast” noemen. We laten ons verblinden als we ons niet realiseren dat ons compromisloos handhaven van de zelfstandigheid zinloosheid creëert. Dat is de paradox: om het zinloze te vermijden, creëren we zinloosheid, althans als we ‘zelfstandigheid’ als onze regulatieve idee vooropstellen, als we menen onszelf te kunnen poneren en als we autonomie opschroeven tot een absolute waarde. Hoe meer we die zelfstandigheid ernstig nemen en we haar hardnekkig als criterium nemen voorons menswaardig bestaan, hoe zinlozer we ons leven maken. Waarom? Om de heel eenvoudige, maar o zo moeilijk te aanvaarden en niettemin triviale reden dat we ons leven niet zelf op gang brengen en dat het eindigt – twee hoedanigheden die met de ‘evidentie van de zelfstandigheid’  in tegenspraak zijn.

Kunnen we ons nu over die vanzelfsprekendheid, die al te ernstige zelfstandigheid heen zetten? Zijn we bereid beslissende en vruchtbare vraagtekens te plaatsen bij die dominante en universeel geachte idee dat zelfstandigheid gelijkstaat met menselijke waardigheid? Kunnen we die idee als dominante idee opgeven en haar vervangen door de relativerende idee “dat niets minder onze eigen keuze is dan ons leven zelf’ (GB68) en dat het “op de eerste plaats van begin tot einde een geschenk is”(RV174)? Gemakkelijk is dat niet, want zodra wij ons door onze zelfstandigheid laten leiden, onderwerpen we ons ook aan haar manipulerende eisen. Ze heeft immers een eigen agenda, een eigen logica, een eigen retorica. Gehoorzamen we haar en haar alleen, dan zwichten we voor wat zij tiranniek wil: doorzetten, doorzetten, doorzetten koste wat het kost. Langs welke sluwe omwegen ook, zij wil zichzelf eindeloos continueren om niet op haar uiteindelijke weerloosheid te botsen, om met zichzelf niet in tegenspraak te zijn. Vanuit zichzelf kan zij zichzelf door niets laten hinderen.’Niet doorzetten’ behoort niet tot haar logica. In haar ijverig conservatisme en trouw aan haar beginsel, eigenmachtigheid, wil ze zichzelf zijn en zichzelf blijven. Bovendien kent ze niet alleen de drang of drift om zich te handhaven en te bewaren (conatus essendi),ze wil ook, als een heel jaloerse godin, oorzaak van zichzelf zijn (causa sui). Zij bepaalt wat absurd of zinloos is: datgene wat strijdig is met haarbestaansvoorwaarde, haar zelfbeschikking. Zij is inderdaad een eergierige godin die geen afvalligheid verdraagt. Zijn we haar trouw dan beloont ze ons met de aantrekkelijke vooruitzichten van onze emancipatie, progressie en vervolmaking, zij belooft het einde van onderdrukking, onderwerping en slavernij. Zij verdraagt geen huichelarij, geen inconsequentie, geen schipperen, geen toegevingen aan (andere) hogere machten. Zij gaat de (andere) goden te lijf en motiveert ons om de natuur te onderwerpen opdat die ons zou dienen. Ze is zo aantrekkelijk en verleidelijk als ze ons aanzet alles in het werk te stellen om lijden en dood uit te roeien en ons belooft dat het ons zal lukken ook, want elk teken van onomkeerbare vergankelijkheid zou wijzen op haar uiteindelijke onmacht. Van uit zich zelf kan zij onmogelijk aanvaarden dat haar project tot mislukken is gedoemd. Nog eerder wil ze dat we, omwille van onze zelfbeschikking, zelfmoord plegen.

Blijven we de godin van de zelfstandigheid onvermoeibaar trouw, gaan we zolang op in de bedwelmende aura van haar glansen schittering, die ons de ‘onsterfelijkheid nu’ (en niet na lijden en dood) belooft, houden we vast aan die zichzelf bestendigende zelfstandigheid, dan koesteren we ook de genoemde blinde vlek. Verstrikt door de charmes van de godin die we als geen ander vereren, hebben we zelfs niet het minste vermoeden dat er een blinde vlek is. Leven naar de idee van onze volstrekte zelfstandigheid lijkt op de ernst van de reus die niet weet dat hij oplemen voeten staat en toch breedsprakig volhoudt dat aan zijn heerschappij geen einde komt. Het zijn niet de beleidvoerders die ons het potsierlijke hiervan onthullen, wel de eeuwenoude artistieke en literaire verbeelding, van de tragedies van Aischylos en Sophokles tot de novellen van Kafka en de films van Fellini. Zij tonen ons tot welke donquichotterieën we in staat zijn als we die blinde vlek niet onderkennen.

Het is zo moeilijk existentieel weet te hebben van die blinde vlek. Ze is immers een onvermijdelijk product van onszelf, van de opvoeding in de activistische cultuur waartoe we behoren. Zonder project van de zelfstandigheid, kennen we geen menselijk bestaan, dat leert ons dagelijks leven ons, dat betogen de moderne pedagogie en de ontwikkelingspsychologie, dat houdt de humanistische bevrijdingsideologie ons voor. Is die zelfstandigheid een langzaam en moeilijk proces, waarvan we een aantal verworvenheden onmogelijk kunnen missen willen we ooit volwassen worden, het ingaan tegen de onwrikbare agenda, logica en retorica van dit project is niet minder moeilijk. Dit is begrijpelijk, want onze opgang tot volwassenheid leert ons voortdurend – en kan niet anders dan gebieden – dat aarzelen, falen, passief zijn, week en weerloos zijn, ons bestaan absurd maken, met als gevolg dat we angst kennen als we onze kwetsbaarheid en sterfelijkheid onder ogen moeten zien. We moeten, ach,zo vaak op onze hoede zijn.

De verleiding is dan groot om de blinde vlek toe te dekken en om onze hoop te stellen op de genoemde biopolitiek die onze levensloop wil controleren en met een flink aantal jaren kan verlengen, die gelooft dat we – alweer zo zelfstandig – maakbaar zijn (causa sui),dat we lijden en pijn kunnen uitroeien. We menen dat al onze problemen een oplossing moeten krijgen. We verhullen de blinde vlek in onze bewondering voor onwaarschijnlijke sportprestaties, virtuoze economische en financiële manipulaties,voor ‘artistieke stunts’ zoals deze van de Australische’ performance kunstenaar’ Stelarc, die elektronisch geleideprothesen aan zijn lichaam voegt en zich, aan draden verbonden tussen flatgebouwen, hoog boven straten te kijk geeft. Via computer games achten we ons onoverwinnelijk en zijn trots als we iemand met vele jaren overleven.

Afleren

Het getuigt niet van gezond verstand als we elke vorm van verbetering van ons levenslot als misplaatste vooruitgang zouden voorstellen. Er is in de loop van de geschiedenis zoveel gebeurd wat we niet willen missen, omdat het zo waardevol is. Bovendien willen we niet terug naar een tijd die ons vandaag volstrekt oncomfortabel lijkt. Enige kritische waakzaamheid gebiedt ons echter niet al te naïef te zijn en toch te twijfelen aan de zo vaak geponeerde vanzelfsprekendheid dat we, dankzij ‘technowetenschappelijke vooruitgang’, onze zelfstandigheid almaar door uitbreiden. Enerzijds is zij ons dierbaar, maar anderzijds zadelt ze ons op met een blinde vlek en leven we in een ontkenning waarvan we nauwelijks vermoeden dat zij er is. Als we zondermeer zweren bij de idee van de zelfstandigheid komen we niet in het reine met onze eindigheid en sterfelijkheid.

Dit thema van de verblinding is niet nieuw. Hoe groot, inventief, zelfs moedig en sluw de held in de antieke mythen en tragedies is  – daarin verpersoonlijkt hij onze aspiraties -, hij blijft kwetsbaar en weerloos. Met deze held betalen we de onvermijdelijke tol als we argeloos voorbijgaan aan onze eindigheid en sterfelijkheid. De goden houden niet van onze schranderheid, daarom verleiden ze ons om meer te doen dan we eigenlijk aan kunnen. Ze laten ons met groot genoegen in de val trappen. Zoals Oidipous kunnen we bij de sfinx onze wijsgerige intelligentie demonstreren. In een handomdraai (of eventueel in een traktaat) lichten we het wezen van de mens toe, maar tegelijk blijven we verblind als het om ons eigen bestaan gaat. Zolang de blinde vlek ons geen pijn doet, hebben we geen vermoeden dat we ons op een dwaalweg begeven, maar zolang wij niet het minste vermoeden van een blinde vlek hebben, doet de verblinding ons ook geen pijn – en leren we niet af. Hebben we, als tragische held, de goden nodig die ons op de proef stellen? Komen we slechts dan pas tot inzicht en worden we wijs als de goden ons eerst hebben doen lijden?

Misschien is het ons gegund dat we onze blinde vlek ontdekken als de zelfstandigheid ons een kater bezorgt. In ons onbehagen stellen we vast dat we al te lang in de roes van de vrijheid hebben geleefd, maar toch niet zo autonoom zijn als we ons voorstellen. We kunnen niet nalaten onszelf te poneren en met onze eigenmachtigheid te imponeren, maar uiteindelijk moeten we leren rekening houden met het onwrikbare feit dat we zelf al geponeerd zijn (CG 132).Onze levensloop is voorwaardelijk – de fameuze condition humaine – en laat zich niet tot een eigenhandig ‘levensproject’ omtoveren. We herinneren ons uit onze puberteit en uit de soms al te lange postpuberteit, deze heldhaftige periodes van grootse plannen en verwachtingen, hoe weerbarstig onze omgeving kan zijn. We herinneren ons ook die moeilijke tijd waarin we, wat ouder geworden, moeten vaststellen hoe de werkelijkheid zeker niet altijd aan onze wensen wil tegemoet komen en hoe we bovendien rekening moeten houden met hoe we zelf in elkaar steken.

Leren we uit onze mislukkingen en ontgoochelingen? Dat is een gemeenplaats van het gezond verstand, maar ook een eeuwenoude wijsheid, een ‘vertaling’ van pathei mathos (leren uit beproeving of lijden), een centrale gedachte in de Agamemnoon van Aischylos. In de wat archaïsche vertaling van P.C. Boutens:

Zeus die paden tot verstand

Stervelingen leidt,

Die door lijden leering

Wettig wijdt:

In den slaap nog weegt op ‘t hart

Angst van wroegings eeuwigwakkre smart,

Zelfs de onwilligen bereikt bezonnenheid,

Wel geld van god die zelf door worstling

‘t Statig stuurgestoelt bezeten houdt. (30)[4]

Deze gedachte verliezen we niet uit het oog als we in onze stille angsten hopen dat onze kinderen in hun zoektocht naar vrijheid en zelfstandigheid niet al te veel onherroepelijke dwaasheden uithalen waardoor ze hun toekomst verkwanselen. Dat die jongeren moeten inzien dat ze voor elke verovering en vooruitgang ook nog een tol dienen te betalen, daaraan denken we als opvoeders niet zo vaak,want de zelfstandigheid in de ontplooiing van al onze mogelijkheden is nu eenmaal ook ons ideaal en dus zo heilig.

‘Door lijden leering’ – daarmee begint vandaag geen enkel pedagogisch traktaat. Dat is ‘veel te negatief’, zo zal het wel luiden in de kringen van de antiautoritaire vernieuwde pedagogiek van het altijd aanmoedigen, van het steeds optimistisch blijven, van het ophemelen van elk succesje, en van het ontkennen en verontschuldigen van elke negativiteit. De idee van ‘opvoeding zonder verbod’, ‘spelend leren’ en ‘onderwijs zonder autoriteit of selectie’ getuigt van idealisme en leidt tot ‘alles moet kunnen’ en tot de idee dat elk pogen een dialectisch moment vormt inde niet aflatende groei in de zelfstandigheid. Dit idealisme,”de hardnekkigheid waarmee men zich verzet tegen wat voor de hand ligt” (RV 96), versterkt de blinde vlek voor de schaduw van de werkelijkheid.

Moeten we, parallel met de leerschool van de vrijheid, niet ook een leerschool van de onvrijheid voorzien? Dat klinkt niet fraai, niettemin moeten we toch nagaan of we niet, naast het vele dat we leren, veel dienen af te leren. We lopen rechtop, maar mogen we zo in de euforie leven dat we niet zien dat we ook falen, vallen en dus van tijd tot tijd (en zelfs uiteindelijk) moeten gaan liggen? Natuurlijk begint de opvoeding niet met ‘afleren’ en verbieden. We kunnen kinderen, die hun eerste stappen zetten, niet voortdurend overvallen met de waarschuwing dat ze zullen struikelen. Heel lang wachten we hiermee echter niet,zoals we het ook niet eindeloos uitstellen hen op een gegeven ogenblik de moederborst te weigeren, van hen te eisen dat ze zindelijk worden, hun werkwoorden correct vervoegen en ‘alsjeblief ‘ en ‘dankjewel’ zeggen. Kinderen wekken, bij elk succes, de indruk dat ze veel of zelfs alles aankunnen. We zijn geen opvoeders als we ze tot kleine helden promoveren en ze in de waan laten dat falen niet voor hen is.

‘Door lijden leering’ is ook een pedagogisch beginselen het principe bij uitstek om de blinde vlek te ontdekken. Dat onderkennen de meeste culturen die nog aandachtschenken aan geïnstitutionaliseerde initiatierituelen waarin beproevingen een niet te onderschatten rol spelen. Tot die beproevingen behoren onder meer het beangstigen,het pijnigen van de initiandi. De novicen krijgen zware lasten opgelegd. Ze gaan de confrontatie aan met de wereld van de doden en van de voorouders, van de goede en dekwade demonen, van de seksualiteit en het enigma van de vruchtbaarheid, opdat de opgroeiende jongens en meisjes de kinderlijke goedgelovigheid van hun eigen almacht zouden afleren. Voor onze cultuur van zelfstandigheid en rationele transparantie van de werkelijkheid, die ook nog de ‘mortaliteit’ huldigt, is zo’n inwijding in de geheimen van het heilige van die andere wereld, onttrokken aan de eigenmachtigheid van de stervelingen, in strijd met de moeilijk verworven inzichten van de Verlichting, en bijgevolg louter bijgeloof, onzin en zelfs onomwonden sadisme. Wij menen daarentegen dat de wetenschappelijke biologie en psychologie zulke primitieve praktijken al lang hebben ontmaskerd en dat lijden en dood absurd zijn. Daarom zijn rituele initiaties onverantwoorde handelingen (‘middeleeuws’) die de ongerepte psyche van het kind belasten of traumatiseren.

Intussen blijven we moeite hebben met de ambivalenties van ons bestaan. We verdringen de dubbelzinnigheidbij het rechtop lopen en ‘immer vooruit’ kijken. We zijn submanisch in onze ambitie en toekomstplannen. We raken echter ook bedroefd, we weten wat pech is en lopen ontgoochelingen op. We willen gezondheid en vitaliteit, maar minder kwetsbaar en sterfelijk zijn we daarom niet. Aanspraak maken op ambitie, deugdzaamheid, oprechtheid en vitaliteit passen zo goed in wat we vandaag het leerproces van de zelfwaardering noemen. Vragen we ons daarentegen ooit af hoe geloofwaardig en rijk een leven is zonder droefheid en lijden? Moet pijn bij het verlies van een geliefde ‘ondraaglijk’ heten? Kunnen we achteraf bij hoogen bij laag beweren dat we geen droefheid hadden willen kennen? Kunnen we überhaupt met iemand in alle ernst omgaan als die niet in het minst van droefheid weet heeft?

Een cultuur die uit angst om op het absurde en het zinloze te botsen in haar beschaving en opvoeding geen ambivalenties of negatieve ervaringen weet te aanvaarden en te onderkennen, is gedoemd om zoals de gevangenen inde grot van Plato (Politeia 514a-52od; zie ook MG) zichzelf wijs te maken dat ze geen gevangenen zijn en dat ze ook niet met een blinde vlek zitten. Zo’n cultuur beantwoordt haar angst met nog meer productie om de productie, meteen nog hogere omzetsnelheid en transport, met nog meergrensverleggende sportprestaties, met meer gedachteloos vertier, meer seksualiteit zonder tederheid en nog meer consumptie van opwekkende, roesverwekkende en verdovende middelen, met meer obsessionele biopolitiek, met meer erkenning van zichzelf en meer miskenning van lijden, ouderdom en dood. We staan hier ver van de pedagogische structuur die ruimte schept voor een initiatie in de negatieve componenten van het bestaan. Natuurlijk is er niets tegen productie, seksualiteit, sport, vermaak en zelfwaardering. Maar in de context waarin geen ethiek en geen instanties ingaan tegen de mateloosheid en miskenning van de ambivalenties gaan we voorbij aan wat eveneens tot onze werkelijkheid behoort: geboren worden ensterven vormen een geheel in de levensloop, met het welbehagen van onze lichamelijkheid gaat lijden gepaard, op onze jeugdigheid volgt ouderdom. Uit angst voor het andere raken we hysterisch en inflatoir ‘jong, fris en krachtig’, en willen we ‘immer vooruit’, zoals het klinkt in sommige jeugdliedjes die de vurige volharding en de onverzettelijke wilskracht aanwakkeren. In zo’n cultuur is het bestaan ’uitzichtloos lijden’.

Geen afleren zonder beschouwelijkheid

Cornelis Verhoeven herinnert ons aan de manier waarop ons besef van de eigen onmacht een blinde vlek onthult:

Vanzelfsprekendheden worden doorbroken door een schrijnend gevoel van verwondering over een situatie die wij niet voor het eerst zien, maar voor het eerst met andere ogen zien, of waarvan wij zelfs maar vermoeden dat ze, door welk oog dan ook, heel anders gezien zou kunnen worden. De blik, die even ontregeld was, kan ineen nieuw spoor komen en een nieuwe structuur scheppen of hij kan in beschouwing blijven verwijlen bij een chaos van mogelijkheden (CG134).

Hoe komen wij tot inzicht in de crisis? Niet door een of andere schoolse of rationele programmering van onze bedrijvigheden, maar door wat ons overkomt en ons tot scepsis – een ander woord voor beschouwelijkheid – en verwondering aanzet. Dit vooronderstelt een passiviteit waarin we onderhevig zijn aan wat we niet zelf bepalen en aan wat zich dus aan onze zelfbepaling onttrekt. Is dat nu niet juist datgene waaraan de cultuur van de actie geen plaats wil geven, de blinde vlek van de zelfstandigheid?

Er zijn redenen om aan te nemen dat vroeg of laat onze gecultiveerde verticaliteit van binnenuit openbarst. De onoverkomelijkheid van onze eindigheid die, als we haar verloochenen, ons in tegenspraak met onszelf plaatst, brengt zoiets op gang. We kunnen de illusie koesteren dat we onszelf toebehoren, hoewel er in onze levensloop nooit een moment geweest is waarop we ons onszelf hebben toegeëigend – we zijn niet de oorzaak van onszelf en hebben ons bestaan niet gemaakt. In de zelfmoord, de daad die bij uitstek onze zelfbeschikking moest bevestigen, lukt ons dat minder dan ooit. Lijden, dat in de eerste plaats de passiviteit van het onderhevig zijn aan het andere betekent en niet altijd met hevige pijn gepaard hoeft te gaan, kan onze blinde vlek relativeren. Dit geschiedt wanneer het ons gegeven is dat we het lijden in de context van onze levensloop kunnen plaatsen, dat we in de nabijheid kunnen vertoeven van anderen die ons troost brengen en dat we, tenslotte, het lijden in gelatenheid aanvaarden in onze spiritualiteit en verwondering. Negeren we die passiviteit of kunnen we haar niet aan, dan dreigt de verbittering en de verblinding. Dan doemt ook het gevaar op van de gewelddadige tegenreactie die een einde stelt aan de passiviteit die het andere laat zijn zoals het is en die voor de niet te manipuleren werkelijkheid ontvankelijk blijft. We hebben er al op gewezen dat zelfmoord en actieve euthanasie (nogmaals, duidelijk te onderscheiden van de palliatieve zorg) tot dit geweld behoren.

De beschouwelijkheid die in de passiviteit gedijt, houdt het geweld op afstand, gaat in tegen het activisme en de loutere verticaliteit. Het al besproken afleren is in dit perspectief niet louter negatief; want uiteindelijk een leerschool in de geweldloosheid die gepaard gaat met het beoefenen van de beschouwelijkheid als die “wijze van waarnemen die niet in functie staat van enige drang tot ingrijpen”(GB64). Zij staat ook niet in functie van een verantwoordelijkheid ten aanzien van dingen die zich aan onze eigenmachtigheid onttrekken. Zij beoefent daarentegen de deugd van de bedachtzaamheid, verdraagt het stilstaan bij de dingen en bijgevolg ook een verwijlen in het uitstel. Ze laat zich niet verleiden tot de ijver van het ‘doorzetten’. We kunnen daarentegen dat aangename deemoedige gevoel kennen

dat wij uiteindelijk de belangrijkste dingen niet zelf maken of veroveren, maar dat wij die cadeau krijgen, dat we er in hogere mate de verbaasde en kleine getuigen van zijn dan de trotse bewerkers. Ik meen, dat dit gevoel van zeer elementaire aard kan zijn,dat het niets te maken heeft met willoze onderworpenheid aan hogere machten of aan menselijke willekeur en dat mensen die het helemaal niet kennen of het negeren, iets heel elementairs missen, het gevoel voor een verhevenheid buiten ons die ons klein maakt en die elke behoefte aan macht moeiteloos weerlegt (DW97).

Deemoed is als het ware het bed waarin de beschouwelijkheid zich kan ontvouwen. Het is zelf geen voorwerp van studie of onderzoek naar het menselijk gedrag. We constateren dit gevoel slechts in de beschouwelijkheid waarin we ook onze weekheid vaststellen, aan de macht verzaken en geen gehoor geven aan het verwijt dat we, door te aarzelen of te verwijlen bij wat gegeven is, onze slaagkansen laten verloren gaan en ‘onduidelijkheid’ creëren.

Dit staat haaks op de politieke praktijk die het activisme niet schuwt en er niet voor terugschrikt het geweld ‘er bij’ te nemen als een niet te vermijden neveneffect van een ‘beschavend optreden’. Deze praktijk meent over een ‘vrijkaartje’ te beschikken omdat ze van zichzelf zegt dat ze ‘politieke verantwoordelijkheid’ neemt en bijgevolg meent dat ze niet hoeft stil te staan bij de ellende die ze veroorzaakt. Als ze ons met de gedachte overweldigt dat we geen passiviteit en scepsis – het ‘niets doen’ – mogen aanvaarden of dat we het ‘dreigend onheil’ onmiddellijk met wortel en al moeten uitroeien, dan kunnen we ons veel ‘veroorloven’. Ook hier is de pure activiteit “puur geweld,

(…) een manier van ingrijpen in situaties waarin denkenen doen of model en realiteit restloos geïdentificeerd worden”(CG135).

De onderkenning van de blinde vlek,dankzijde waarschuwing van het (soms toch heel pijnlijke) lijden, zet ons aan tot beschouwelijkheid en “is daarom van zo essentieel belang, omdat zij ons ervan weerhoudt restloos te geloven in de wijze waarop wij de wereld structureren en zo in geweld vervallen” (CG135). Is dit niet het centrale en massieve thema van de mateloosheid van de grote tragedies,zoals de antieke drama’s van Aischylos en Sophokles, het grootse oeuvre van Shakespeare, met hun uitlopers in hedendaagse films zoals die van Roman Polanski? Het gaat om de hybris (overmoed), om de afwezigheid van elke zinvoor verhoudingen, die in de ‘geweldige’ architectuur tot schaalverlies leidt. Het gaat ook om de megalomanie in de economische en financiële middens. Het gaat tenslotte om de waanidee van het afgedwongen universalisme die koste wat het kost de menselijke eenheid tot stand wil brengen. (31) [5]Alzo ontkent de moderne activistische mens zijn pathische dimensie, dat wil tegelijk zeggen zijn eindigheiden sterfelijkheid. Verhoeven verwoordt de actualiteit van deze tragedie als volgt:

In de pure activiteit, het blinde activisme, waarvan de grondstellingen zijn dat alles gedaan kan worden wat gedacht kan worden, dat alles gedaan moet worden wat gedaan kan worden en dat het altijd beter is iets te doen dan niets te doen, wordt deze vruchtbare beperking (van de blinde vlek) ontkend. Zij is puur geweld doordat zij elk uitstel en elk middel afwijst: geweld is onmiddellijkheid (CG135).

De gedachte dat we iets dienen af te leren, is wellicht zo oud als de mensheid. De richtlijnen om ons van allerlei geestelijke gebreken, ingevingen van de duivel of gewone zwakheden te bevrijden zijn talrijk. We treffen ze aan in Freuds neuroseleer en Marx’ kritiek op de burgerlijke ideologie, in Spinoza’s stellingen over de menselijke knechtschap (Deservitute humana) en in de aanbevelingen van de stoïcijnse scholen, in alle religies – en dus niet alleen de christelijke – die hun aanhangers oproepen zich te zuiveren van wat de wereld in lichaam en ziel onrein maakt.

Interessant blijft Sokrates’ uitspraak in Plato’s Phaidoon (67e) dat de filosofie een oefening in het sterven is. Zoiets zullen we vandaag in geen enkele filosofie faculteit horen, tenzij in de afscheidsrede van een hoogbejaarde professor die zich wat laat herinnert dat filosofische problemen geen formele of wetenschappelijke problemen zijn en durft vertellen dat de sterfelijkheid ter sprake brengen wijsgeriger is dan de analyse van een of andere transcendentale logica. Sokrates’ gedachte ontdoet de filosofie van haar zelfstandigheid, duidt op een praktische houding, en pleit voor “een poging de dood in te bouwen in het eigen leven”, zonder hiermee de dood te willen sturen. We doen onszelf tekort als we voor de werkelijkheid van onze uiteindelijke onmacht een blinde vlek koesteren. De onderkenning van die onmacht is niet louter negatief:

Onze onmacht betekent ook dat wij overweldigd kunnen worden door bewondering of enthousiasme. Zwichten kan een elementair genoegen zijn (…). Oefenen in de dood is geen verbeten training voor een toer die wij nooit zullen maken, maar een geduldige aandacht voorde elementaire betekenis van passieve waarden. In onze cultuur zijn die weinig in tel, want die cultuur is activistisch (RV173).

Oefenen in sterven is een ander woord voor ‘afleren’, ‘reinigen’, ‘versterven’, zoals het in de christelijke traditie heet,het laten sterven van wat niet ter zake is. Een woord dat in populariteit nog minder hoog scoort is ‘ascese’, wat duidt op uitstel. Op het eerste oog is uitstellen een actieve daad, tegelijk niet de dwaaste strategie om ruimte te creëren voor bedachtzaamheid. In een opschorting van de actie storten we ons niet hals over kop in een overhaast compromis, in het genot of in het geweld. Ascese is tevens onthechting van het onmiddellijke en creëert een passiviteit waarin we eigen macht temperen en initiatief verschuiven naar later. Wat we op die manier uitstellen stimuleert alweer de beschouwelijkheid, het wordt “voorwerp van toegespitste aandacht” (DW411) die zelfs enige discipline vergt. Ook dat is ascese, “de tucht waaraan wij ons onderwerpen om ons te concentreren op een zaak die de moeite waard belooft te zijn” (GB38) en tegelijk een aanzet is tot de toewijding.

Afkortingen[6]


[1] 27 M. Proust, De kant van Swann (in de vertaling van Th. Cornips). Amsterdam: De Bezige Bij 209, p.283.

[2] 28 G. de Maupassant, Contes et nouvelles I.Parijs: Gallimard (Pléiade),2006, pp.381-384( in de vertaling: Verhalen 1881-1882, Amsterdam: Veen 1998, pp. 74-77).

[3] 29 G. Bachelard, Psychoanalyse van het vuur (in de vertaling  van A. Bakker). Meppel-Amsterdam: Boom 1990, p.29.

[4] 30 P.C . Boutens,Het treurspel van AGAMEMNOON (Aischylos). Rotterdam: W.L. & J. Brusse 1930, pp. 14-15.

[5] 31 Zie: L. Kolakowski, The Myth of Human Self-Identity, in: L. Kolakowski & S. Hampshire (red.).The Socialist Idea. Londen: Weidenfeld and Nicolson1974, pp.18-35.

[6] werk van Cornelis Verhoeven

CG –Een cultuur van het geweld. Kritische essays. Leende:Damon 2000

DW -Dierbare woorden. Beschouwingen over de woordenschat. Budel: Damon 2002

GB -Het gewicht van de buitenstaander. Bilthoven: Ambo 1972

GG -Het grote gebeuren. Utrecht Ambo 1966.

IV – Inleiding tot de verwondering (1967). Leende: Damon 1999

L -Het leedwezen. Beschouwingen over troost en verdriet, leven en dood. Bilthoven: Ambo1971.

MG –Mensen in een grot. Beschouwingen over een allegorie van Plato. Baarn: Ambo 1983.

R – Register. Bedenkingen over woordjes en glossen .Amsterdam: Van Gennep1995-

RL -Rondom de leegte (1965). Best: Damon1998.

RV -De resten van het vaderschap. Beschouwingen over de levensloop. Bilthoven: Ambo1975.

VB – Een vogeltje in mijn buik. De taal van Neeltje en Daan. Leende: Damon2000.

ZE -Zakelijkheid en ethiek (met C. Eijsbouts). Bilthoven: Ambo1971.

ZS – Zijn en staan. Metaforen van aanwezigheid. Leende:Damon1999.

 

Excursie 3: het lichaam van Jezus

 

 

“Traum der Erlösung

 

Dessen Wunden bluteten in meinen Traum

ganz graues Blut verstossner Strassen, Gänge,

ihn rief ich umsonst, doch hat ärmliche Enge

sein verlangt wie nach dem Brot hungriger Gaum.

 

Seines Todes Schuld mussten sie auf sich nehmen,

dazu sandte man sie hin, ihm das Kreuz aufzubauen.

Sie wurden auch verurteilt, arm zu sein, sich zu schämen,

und sollten allem Blendwerk blind vertrauen.

 

Er nun, glücklicher und drum auch stärker als sie,

wollt durch den Tod nicht ihre Schuld, nein Leiden

von ihren erdgebundnen schweren Seelen scheiden,

doch so hartes Werk glückte selbst Gott noch nie.

 

Er war allein, geplündert, nackt und irre,

sein Fleisch ans Kreuz geheftet. Das Gelächter

des missgeführten schwemmte um ihn, die elend, kirre,

mürb verliessen ihren göttlich-grossen Fechter.

 

Doch wirst du, Herr, noch mehr allein sein müssen,

so sehr allein, dass du dich selber hasst,

dass Steine deinen Hunger füttern, nur von Küssen

Judas begnadet, deine Liebe wird zur Last.

 

Und du wirst, o Herr, völlig verscholln, vergessen

dich schmücken mit der Fäulnis. Falbe Milben

solln deine heiligen Träume, leuchtenden Freuden zerfressen,

wird all dein glühend Gold verjähren und vergilben.

 

Und du wirst , O Herr, mit der hellerlichteten Seele

die Gottheit aufgeben müssen, den Heiligenschein,

so wortlos und so sonnenlos wirkend, Scheibe der Pfähle.

Und du sollst auch Satans geringster Diener sein.

 

Und es wird der Tod von allen auf dich fallen,

Siechtums und der Entartung ekelste Verbösung.

Du aber wirst gemordet ganz ungehört verhallen

in dem Lärm ohne Rückkehr, Genesung und Erlösung.

 

Und ich sehe dich, Herr, gebückt, verzerrt und Flau

und bar der Sehnsucht, aller Tode krank,

und Mangel steinigt dich und Fron und Hass und Zank,

nur noch deine Seele ist unsagbar blau.

 

Doch es wird ein Tag sein, da das letzte Knickern

zerbrechend du sie auch preisgibst und verlierst,

und wird dem Neumond gleich dein stilles Licht versickern,

Licht, mit dem du deine Leiden strahlend zierst.

 

Und an solchem Tag hast du das Leid verbracht

von dieser Welt. Die Verbannten und Verscheuchten,

sie dürfen kriechen aus den Schächten tiefster Nacht

und alle werden selig sein und leuchten.

 

Deine Wunden bluteten in meinen Traum

ganz graues Blut verstossner Strassen, Gänge.

Ich seh dich, Herr, verschollen im Gedränge.

Ich seh dich, Herr, verloren ganz im Raum.”

Albert Drach[i]

 

In de “Laatste Verzoeking” van Nikos Kazantzakis sterft Jezus niet meteen aan de dood aan het kruis, het is geen kruisdood, maar een kruisdroom die hem overkomt en waarin hij al dromend de wereld ziet als hij niet zou zijn gestorven. Pas op de laatste pagina van de roman laat Kazantzakis Jezus sterven want hij is geen lafaard.[ii] Dit “heldenepos” geschreven door een auteur die geprobeerd heeft na te voelen wat Jezus doormaakte en die worstelt met schijn en werkelijkheid, waarheid en bedrog, hetzelfde waarmee hij zijn held Jezus laat worstelen, komt op een andere wijze terug bij José Saramago in “Het Evangelie volgens Jezus Christus”. Ook daar sterft Jezus op de laatste bladzijde, overtuigd van het feit dat ze hem als een lam hebben misleid dat naar de slachtbank wordt gevoerd. Nadat hij op de berg tegen het volk heeft gesproken zegt hij als hij in een tent zit met Maria Magdalena: “Ich bin der Hirte, der mit selbigen Stock die Schuldlosen und die Schuldigen zum Opferaltar treibt, die Erlösten und die Verlorenen, die Geborenen und die noch zu Gebärenden, wer aber erlöst denn mich von dieser Gewissenspein, der ich mich heute in der gleichen Verfassung sehe wie mein Vater einst, er hat zwanzig Leben zu verantworten, ich allerdings zwanzig Millionen.”[iii]

 

Saramago verwijst naar alle doden die gevallen zijn tijdens de verspreiding van het christendom over de aarde – en hij verwijst naar de doden die gevallen zijn toen Herodes omwille van het kind dat hij zocht talloze kinderen liet vermoorden. Het eerste bloed dat werd vergoten omwille van de Messias. Onschuldig bloed. Ook al kon Maria hier niets aan doen, gebeurde het buiten haar om, het blijft gruwelijk. Jozef draagt wel schuld want hij had de mensen kunnen waarschuwen zodat zij hun kinderen hadden kunnen verstoppen. Hij had daaraan niet gedacht maar dat pleit hem niet vrij, laat Saramago een engel tegen Maria zeggen: “Ich bin kein verzeihender Engel. Maria sagte, Vergib ihm, Ich sagte dir schon, dieses Verbrechen kennt keine Vergebung, sagte der Engel, eher würde Herodes verziehen denn deinem Mann, ein Verräter findet eher Vergebung als der Abtrünnige, Maria sagte, Was wollen wir tun. Der Engel sagte, Leben und leiden werdet ihr wie alle Menschen. Maria sagte, Und das Kind. Der Engel sagte, Die Schuld der Väter fällt stets den Kindern auf das Haupt, schon umdüstert der Schatten von Jozefs Schuld den Stirn deines Kindes,  Ach wir unglücklichen, sagte Maria, So ist es, sagte der Engel, und ihr werde keine Abhilfe haben.”[iv]

Daarmee is voor Saramago het pad van Jezus uitgestippeld – als offer voor zijn vader’s falen. Waarom moesten er al zovelen sterven opdat deze ene bleef leven? Saramago verwijst ook naar de kruisdood van zovelen – slechts deze ene werd heel bekend  – van de talloze andere gekruisigden werd geen woord meer vernomen. Maria Magdalena houdt Jezus later voor dat heel zijn leven is uitgestippeld, het is voorbestemd, alle daden die hij doet liggen al vast. Als Jezus tenslotte aan het kruis hangt en sterft begrijpt hij dat hij is bedrogen als hij nog illusies mocht hebben gehad: leven en dood lagen vast en hij realiseert zich: “…ihm fiel ein, welch ein Strom an Blut und an Erleiden von ihm ausgehen und die ganze Welt schwemmen werde, und in den offenen Himmel auf, wo Gott lächelte, schrie er, Menschen vergebt ihm, denn er weiss nicht, was er getan hat. Dann starb er hin, mitten in einem Traum, er sah sich in Nazareth, den Vater , der die Schulter hob und ebenfalls lächtelte, hörte er sagen, Ich kann dir nicht alle Fragen stellen und du mir nicht alle Antworten geben.”[v] Zo laat Saramago Jezus sterven terwijl in de verte de man wegloopt met de spons in azijn gedrenkt. Het bloed van Jezus druppelt in een zwarte beker.

 

Over deze variant in de interpretatie van de kruisdood van Jezus door Saramago is veel te zeggen en er is veel kritiek op gekomen maar daar wil ik het niet over hebben want het blijft een roman die ontsproten is aan de geest van de auteur zelf. Wat Saramago wel met zijn verhaal aanraakt is het feit hoe wij ons moeten verhouden tot de talloze doden – het gruwelijke lijden – de miljoenen slachtoffers van menselijk geweld in naam van religie, ideologie en machtspolitiek. Daarmee heeft hij een belangrijk thema te pakken waar ook Giorigio Agamben naar verwijst als hij spreekt over de muzelmannen in het concentratiekamp. Mogen wij het lichaam van Jezus aan het kruis vergelijken met de muzelman in het kamp? Met andere woorden, als Jezus helemaal mens was en als mens een spoor droeg van goddelijk ingrijpen, wat in de geloofsbelijdenis vertaald wordt met “God heeft zijn eniggeboren zoon naar de wereld gezonden”, dan kunnen wij vragen in hoeverre het goddelijke ook zichtbaar kan worden in de muzelman. Of is deze het absolute eindstadium van de mens – ook de mens als lichaam – en helemaal van God verlaten als in een diepte nacht? Dus de muzelman als hoogtepunt van de ‘verberging van God’ die zijn gelaat heeft toegedekt en waarvan wij mensen in deze wereld geen spoor van kunnen vinden? En niet alleen de muzelman, ook al die mensen die naakt in de gaskamer bijeengedreven een gruwelijke verstikkingsdood moeten sterven omdat “christenen” – gedoopte nazi’s zoals Hitler, Himmler en vele anderen dit hebben gepland? De kruisdood van Jezus opvatten als “Hij is gestorven voor onze zonden” wordt hiermee op een radicale wijze geproblematiseerd. Er bestaat geen goedkope genade – hoe graag ook sommige evangelische christenen ons dat zouden willen doen geloven als zij spreken over hun redding door Christus: de redding van de talloze slachtoffers die onmogelijk gered konden worden – worden voor het gemak dan maar even buiten beschouwing gelaten.

 

Eberhard Jüngel citeert met instemming kardinaal Martini: “Die Kirche befriedigt nicht Erwartungen, sie feiert Geheimnisse” en Jüngel ziet als grootste geheim: “Das grösste aller Geheimnisse ist dass den Gottlosen rechtfertigende Mysterium Paschale.”[vi] Hij werkt dat idee uit in zijn theologie en laat zien dat veel op het spel staat met dit mysterie en de omgang met dit geheim van de opstanding van Jezus na zijn dood aan het kruis. “Das Evangelium, das die Geschichte Jesu Christi als Enstehungsgeschichte einer grossen, allem Volk widerfahrenden Freude erzählt (Lk 2,10), ist in seiner pointiertesten Form eine ebenso einfache wie revolutionäre Botschaft: es ist das Wort vom Kreuz (I Kor 1,18), das aufgrund des Todes einer einzigen Person allen Menschen Leben verheisst. Dieses Wort bringt, was in den Evangelien erzählt wird, auf den Punkt. Im Wort vom Kreuz, das den Tod Jesu Christi als das über Leben und Tod der Menschheit und ihrer Lebenswelt entscheidende Ereignis verkündigt, vollzieht sich eine kerygmatische Konzentration, wie sie konzentrierter, wie sie aber auch kerygmatischer nicht gedacht werden kann: Gott für die Gottlosen! Leben für vom Tode Bedrohte und dem Tode Verfallene! Heil für eine heillos verfahrene und in selbstverschuldetem Unheil festgefahrene Menschheit! Befreiende Wahrheit für Menschen, die die Wahrheit unterdrücken (Rom 1,18) und mit der Wahrheit zugleich sich selber und ihre Mitmenschen in lebensfeindlicher Lebenslügen verstricken! Der Apostel Paulus hat dieses konzentrierte Kerygma, das nach Friedrich Nietzsches Urteil eine “Umwerthung aller antiken Werthe” bedeutete, in Röm 4,5 als Rechtfertigung des Gottlosen bezeichnet.”[vii]

 

Deze boodschap van de “rechtvaardiging van de goddelozen” wordt door Jüngel een kernleer bij Paulus genoemd omdat deze argumenteert en theologisch hierop reflecteert – het overstijgt het niveau van een briefcitaat. Het “woord van het kruis” namelijk dat de dood van een persoon verlossing brengt voor allen en dat de dood niet meer het laatste woord heeft – maar in Jezus is overwonnen – komt dus volgens Jüngel het meest geconcentreerd terug in de uitspraak: de rechtvaardiging van de goddelozen. Deze verlossing geldt dus ook expliciet voor allen die Jezus afwijzen en allen die er nooit van hebben gehoord en allen die verstrikt zijn in eigen leugens en zelfbedrog en daarmee ook anderen gevangen houden: dus zowel de nazi’s als hun slachtoffers, de schuldigen en de onschuldigen. Saramago liet Jezus zien als herder die schuldigen en onschuldigen naar het offeraltaar dreef – zij werden geofferd omwille van Godsplan of wil: omdat het nu eenmaal vaststaat. Jüngel noemt het geen offer van allen maar een offer van Jezus dat allen zal bevrijden uit de klauwen van de dood en dat verlossing belooft voor allen.  Er staat nogmaals veel op het spel zegt Jüngel: het gaat om leven en dood, exacter om “das Entweder-Oder von Leben und Tod. Und da Leben im theologischen Urteil immer Zusammenleben bedeutet, geht es genauerhin darum, ob ich jetzt und in Ewigkeit mit Gott zusammenleben das Recht habe oder aber im Grunde mit niemandem zusammenzuleben vermag und also dem Tod verfallen bin. Denn im Tod zerfällt mit dem Zusammenleben auch das Leben.”[viii] Daarnaast gaat het ook om mijn persoon, om mijn persoon-zijn als zelf, als ik, en wie maakt mij tot persoon, waarvan de waardigheid onaantastbaar is? Het gaat ook volgens Jüngel om God en om de vraag wat in waarheid goddelijk is en met welk soort van menselijkheid de mens tegenover de goddelijkheid van God staat – de mens als evenbeeld Gods. Met andere woorden wat of wie is een werkelijk goddelijk God en wie of wat een werkelijk menselijke mens?

 

Jüngel noemt nog een aantal zaken die hier op het spel staan zoals de vraag naar onze betrokkenheid in deze geschiedenis via het leven van Jezus – was zijn woord aan het kruis een grafrede of een hoopvol teken voor ons allen? Wij zijn wel in deze geschiedenis als christenen ingeschreven – we participeren eraan – maar het verlossende feit zal zich nog moeten voordoen: dat vormt in feite ook de kern van alle  eschatologie. Jüngel vraagt ernaar hoe wij deelnemen, hoe wij deel hebben aan en hoe Jezus deel-gevende is door zijn leven voor ons te geven. Doet de rest van de wet – de Tora – ook mee of is het kruiswoord genoeg? Tenslotte staat de gerechtigheid op het spel, gerechtigheid door God verschaft om de scheve verhoudingen en het onrecht in de wereld recht te zetten – en tenslotte ons geweten dat in een leer over de rechtvaardiging niet buiten spel kan blijven.

Jüngel is reformatorisch theoloog genoeg om deze vragen in een heel boekwerk aan de orde te stellen en te beantwoorden maar deze exercitie valt buiten ons project hoe boeiend ze ook is om te lezen en na te voltrekken.[ix] Waar ik wel nog naar wil verwijzen is zijn tekst over de dood “Der Tod als Geheimnis des Lebens” omdat hier op een andere manier weer dezelfde vragen terugkeren vanuit het standpunt dat wij mensen sterfelijk zijn en dat de dood ons allen wacht.[x]

 

Bestaan er woorden die de dood aankunnen of moeten we blijven zwijgen in het aangezicht van de dood vraagt Jüngel zich af. Is met andere woorden de dood ook een taalprobleem – als de liefde zoals het Hooglied zegt, sterk is als de dood, is er dan ook een woord sterk als de dood? In zijn opstel bespreekt hij waarom het zo moeilijk is om zakelijk over de dood te spreken, waarom men de dood eigenlijk alleen maar haten kan en tenslotte wat God met de dood van doen heeft en wat dat voor onze instelling ten aanzien van de dood betekent.[xi]

Jezus sprak in zijn droefheid over het feit dat hij ten dode bedroefd was vlak voordat hij in de tuin zal worden gearresteerd om voorgeleid te worden. (Mk 14,34). Hij is doodsbang en het naderende einde doet hem vrezen voor het ergste. De tekst luidt in Markus 14, 33-36 terugkijkend op het gebeuren:

“Hij neemt Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee,- en begint verbaasd en angstig te worden; hij zegt tot hen: mijn ziel is diepbedroefd, ten dode toe; blijft hier en blijft wakker!

Een klein stukje verdergegaan is hij ter aarde gevallen en heeft gebeden dat, als het mogelijk was, die ure aan hem voorbij mocht gaan, en hij heeft gezegd: Abba, Vader, alles is mogelijk voor u; draag deze drinkbeker van mij weg!- maar niet wat ík wil maar wat gíj!..”

Dezelfde tekst bij Lucas 22,40-45 luidt in een retrospectief:

“Op de plek aangekomen zegt hij tot hen: bidt dat ge niet in beproeving komt! Zelf zondert hij zich van hen af, op ongeveer een steenworp; op de knieën neergevallen heeft hij gebeden, zeggend: Vader, als ge wilt, draag deze drinkbeker van mij weg; maar niet míjn wil maar de uwe moet geschieden!

Dan laat zich aan hem een engel uit de hemel zien die hem sterkt.

Hij wordt doodsbang en heeft nog dringender gebeden; zijn zweet wordt als druppels bloed die neerdalen op de aarde; als hij opstaat van zijn gebed, en bij de leerlingen komt, vindt hij hen slapend, van verdriet.”[xii]

 

Jezus doorleeft zijn doodsangst alleen. Een engel sterkt hem in de versie van Lukas maar daarna wordt hij nog banger. De dood heerst onverbiddelijk als een bitter medicijn en daarom is de heerschappij van de dood ook om te haten volgens Jüngel. Het hoort zelfs tot de menselijke waardigheid om deze dood te haten – maar het moet geen blinde haat zijn – dat komt het leven niet ten goede want het is dan als een onverwerkte emotie – een woede-uitbarsting. Het christelijk geloof schaft doods-haat en angst voor de dood niet af, maar ontneemt hen beiden de blindheid. Jüngel zegt dat het christendom het heidense karakter uit de haat op de dood verwijdert en doet dat door de dood te zien in het licht van het evangelie waardoor er ook licht valt in de duisternis van de dood.[xiii] Naast de negatieve beelden van de dood, de dood als vloek en als hel, “een sterven moeten – zonder te kunnen sterven”, als verdiende straf, bestaat er ook een beeld van de dood als belofte, zoals het zaad dat in de aarde wordt gelegd om te sterven en te ontkiemen. Jüngel hierover: “Man hat in Nachbarschaft zu dieser Utopie dem Tod nun doch noch eine versöhnliche Dimension abgewonnen und ein Verständnis des Todes entwickelt, das diesen geradezu als letzten und eigentlichen Akt menschlicher Selbstverwirklichung begreift. Der alte Schelling hat den Tod in seiner Wirkung “mit jenem Process” verglichen, “in welchem der Geist oder die Essenz einer Pflanze ausgezogen wird” (Schelling denkt an Wein und “Kampher”!), und dementsprechend behauptet, der Tod des Menschen sei “eine Essentification”…, worin nur zufälliges untergeht, aber das Wesen, das was eigentlich Mensch ist, bewahrt wird. Denn kein Mensch erscheint in seinem Leben, ganz als der er Ist. Nach dem Tode ist er bloss noch Er selbst…Dahin gehört, dass man ein abgeschiedenes Wesen, inwiefern man es erscheinen lässt, einen Geist nennt, nicht etwa eine Seele, man denkt sich also dabei den ganzen Menschen, nur vergeistigt, essentificirt” – In anderer Wendung desselben Gedanken hat E. Bloch vom Tod als einer “Verwesentlichung” gesprochen – im Sinne einer “Verneinung, dessen was in der Welt nicht zur Utopie gehört; er schlägt es weg, so wie er sich selber… wegschlägt: im Todesinhalt selber ist dann kein Tod mehr, sondern Freilegung von gewonnenem Lebensinhalt, Kern-Inhalt.” Der Tod kann nach Bloch zwar jede Schale knacken, aber er hat “nur die Macht, die Schalen um den Subjekt-Inhalt aufzuknacken…Wo immer Existieren seinem Kern nahekommt, beginnt Dauer, keine erstarrte, sondern eine, die Novum ohne Vergänglichkeit…enthält.” Und “in diesem glühend-dunklen Kern” geht es nach Bloch “Letzhin…vor allem” um “das potentiell Adlerhafte der menschlichen Materie” als Empor zum Alles.” – In wieder anderer Wendung desselben Gedankens haben Theologen wie Rahner und Boros den Tod als die das eigene Leben vollendende Tat des Menschen, ja als “die Tat des Wollens schlechthin” behauptet.”[xiv]

 

Met dit idee van de mens en zijn lichaam als omhulsel zin wij terug bij Peter Sloterdijk die het aarden maaksel liet vullen met geestkracht, bezieling. De dood heeft dus in deze overwegingen geen effect op het binnenste, de ziel, maar slechts alleen op het lichaam. De dood is dus als bij de graankorrel de noodzakelijke fase waardoor heen gegaan moet worden om opnieuw te kunnen ontkiemen/leven. Jüngel vraagt zichzelf af wat hij hiervan moet denken en zeggen. Als positief aspect ervan kan hij onderschrijven dat de dood als het ware om zichzelf bedrogen wordt, omdat hij alleen maar instrument is in een afbraakproces. Dood als geboortehandeling. Maar ook een beeld van Schelling waarin de dood begrepen wordt als “essentificatie” miskent het feit, zo Jüngel, dat de mens de dood ondergaat en niets te willen heeft, ook op dat moment dus geen nieuwe geboorte. Ook de zelfmoord, zelfdoding, “Freitod”, is het effect van een dwang en de reactie op een onhoudbare situatie volgens Jüngel. In de dood wordt de mens vernietigd en geen enkele filosofische gedachte kan dat verzachten.[xv] Voor de gelovige is de God die spreekt, ook in de dood (zo Luther), de garantie dat de dood niet absoluut is. Jüngel laat God dan ook optreden in de middeleeuwse dodendans om de gedoemden toe te spreken en zij die het horen, weten dat de dood niet de laatste gang is – niet de laatste dans. Jüngel pleit voor een menselijk omgaan met dood en met het sterven opdat ook hierin deze hoop zichtbaar kan worden.[xvi] Maar het blijft de taal van een theoloog – op afstand. Daarom nu de schrijver en de dichter aan het woord om hun kijk op sterven en dood te ervaren.

 

Harold Brodkey, gestorven aan aids, beschrijft in “Die Geschichte meines Todes” de angst voor het sterven zelf en aan het slot van zijn boek de overgave aan de dood. Over de angst schrijft hij:

“Die Furcht bewegt sich in mir und ist ohne scharfe Kontur. Sie umgibt mich mit seltsam elektrisierendem Geflüster und dem Gefühl, ich würde verbrannt, ins Licht geschossen – oder ins Dunkel. Frucht sollte man sich nicht als unphysisch vorstellen. Man sollte sie nicht in ein Wort packen. Ich bin nicht gar so unmittelbar in der Hand des Todes, und doch gerate ich ihm näher und näher.

Manchmal kann ich sie mir noch aus der Seele schlafen, meine Furcht. Meine Träume sind nun sanft, selbst wenn es ihnen darum geht, dass ich überfallen, ausgeraubt und zu Boden geschlagen werde, selbst wenn ich meinen Autoschlüssel in ein Stück nachgebender Erde stecke. Oft aber wache ich von einem Nachmittagsschlaf in dem grauenhaften Gefühlt auf, dass es vorbei ist und niemals viel bedeutet hat; ich hätte niemals ein Leben gehabt. Die kostbare Zärtlichkeit und die harte Arbeit sind infiziert mit dem Faktum Tod: nun scheint es, als wären sie so wundervoll nicht gewesen, doch sonst hab ich nichts gehabt. Und dann möchte ich getröstet werden. Ich will meine Stille in ihren alten, unbedrohlichen Formen wiederhaben und die Feigheit des Possenreissers. Ich will atmen können, ich will Geschichten und die Welt.”[xvii] Het is voorjaar 1994 als Brodkey deze woorden schrijft. Er komt een moment dat de medicijnen tegen aids niet meer werken, alle alternatieven zijn uitgeprobeerd en de artsen kunnen niets meer voor hem doen. Het is winter 1995. Dit zijn de laatste woorden uit zijn boek, voordat hij in januari 1996, een korte tijd na deze periode sterft:

“Mann kann die Welt satt haben – die Gebete-Macher, die Gedichte-Macher satt haben, deren Rituale zerstreuen und die menschlich und angenehm sind, aber noch ärger als ärgerlich, weil sie nichts Reales enthalten -, während einem die Realität selbst sehr lieb bleibt. Man möchte das Wirkliche noch hie und da erspähen. Gott ist etwas Unermessliches, während diese Krankheit, dieser Tod, der in mir steckt, dieses kleine, banale Ereignis, lediglich real ist, restlos, ohne ein Wunder zu bergen – oder eine Lehre. Ich stehe auf einem frei dahintreibenden Floss, einem Kahn, der sich auf der biegsamen, fliessenden Oberfläche eines Stroms bewegt. Eine unsichere Situation. Ich weiss nicht, was ich da tue. Die Unwissenheit, die angespannte Balance, die abrupten Stösse und die Instabilität breiten sich in kleinen, immer weitere Kreise schlagenden Wellen über all meine Gedanken aus. Frieden? Den hat es auf der Welt niemals gegeben. Doch auf dem geschmeidigen Wasser, unter dem Himmel, unverankert, reise ich nun dahin und höre mich lachen, zuerst vor Nervosität und dann vor echtem Staunen. Ich bin davon umgeben.”[xviii]

Het is een slotakkoord dat ook doet denken aan de reis over de Styx – de zielen die naar de onderwereld worden getransporteerd. Maar ook aan de beelden van de zee die door Juan Ramón Jiménez, bekend van het verhaal over zijn ezel Platero[xix], en als dichter een van mijn grote favorieten, herhaalde malen terugkeren. Zoals in (Duitse vertaling):

 

“Traum-Nocturno

 

Die Erde führt über die Erde;

doch du, Meer,

führst durch den Himmel.

 

Mit welcher Sicherheit weisen die silbernen

und goldenen Lichter der Sterne

den Weg! – Man könnte sagen,

dass die Erde die Strasse

des Leibes ist,

dag das Meer der Weg

der Seele ist.

 

Ja, es scheint,

dass die Seele die einzige Reisende

des Meeres ist; dass der Körper alle in

zurückgeblieben ist dort am Ufer,

ohne sie, nachdem er Lebewohl gesagt hat,

plump, seelenlos, wie tot.

 

Wie sehr gleicht

die Seereise der Reise in den Tod,

in das ewige Leben!”[xx]

 

De zee, en de reis op zee is een reis in de dood. Maar het is niet het lichaam dat op reis gaat maar de ziel. Het lichaam blijft achter op het strand, of in het graf. In stilte, in zwijgen, zonder dat er nog een woord gesproken wordt. Dat komt ook in het gedicht ‘Oever’ tot uiting:

 

“Ufer

 

Mit welcher Wonne, Dunkel, gleiten wir

In deine Höhle, Nacht für Nacht

- wie in einen willkommenen

Tod – ,

Überdrüssig der traurigen Gedanken

An das, was wir nicht können, Tag für Tag!

 

- Die Augen, die uns in die Augen schauen,

mehr als in andre Augen,

Augen, in die die unsren mehr schauen als in andre

(diese Sehnsüchte, flammend,

wie Kohlen, nach Zärtlichkeit),

auch sie schliessen sich nun in uns,

fast wie im eignen Dunkel. –

 

Stille. Allein

Die toten Körper, schwarze Ballen,

Bleiben auf der verlassenen

Mole liegen, vereint, unter den Sternen,

Nur durch das Grauen ihrer Niederlage.”[xxi]

 

 

Jiménez is gefascineerd door de dood, het sterven en de ziel. Beelden wisselen elkaar af: het licht, de hemel, de sterren en de nacht. Bestaan er woorden die de dood aankunnen, vroeg Jüngel boven, ik stel de vraag nog een keer. Ik geloof van wel, maar het zijn de woorden van de dichter, die én de geliefde persoon én de overleden persoon in de ogen durft te kijken. Daarmee maakt hij op een poëtische manier concreet wat Levinas met zijn filosofie van het gelaat op het oog heeft. Het gelaat dat je aankijkt, beter de mens die je aankijkt en die jou aankijkt met ogen, ogen die de wereld verkennen. Ogen ook die, zo Jiménez, als ze definitief gesloten worden, naar binnen kijken, zoals in het volgende gedicht:

 

“Der Tod

 

Du schautest dir,

gegen das Sonntagslicht gewandt,

in einem hohlen Guckkasten farbige Bildchen an,

mit deinem schwarzen, grossen, hingerissenen Augen.

 

Später schlossen sich deine Augen traurig…

 

Und nunmehr bist du selbst der Guckkasten;

nun sind in deiner Seele die buntfarbigen Bildchen,

und deine schwarzen, grossen, hingerissenen Augen

schauen sie an, nach innen gewandt, für alle Zeit!”[xxii]

 

Deze ogen leggen geen contact meer. Deze ogen zijn gedoofd, het licht van de ziel is uit hen verdwenen achter een donkere horizon. En zij die achterblijven met de herinnering aan dat ogenlicht willen het niet weten, zij zouden liever de schijndood van de slaap verkiezen dan de definitieve dood – het einde zonder weerga. Jiménez heeft dit prachtig uitgedrukt:

 

 

“IK zou GRAAG SLAPEN

Ik zou graag slapen deze nacht

Nu jij dood ligt, slapen,

slapen, slapen terzijde

van jouw volkomen slaap

om te zien of ik je zo

bereiken kan!

 

Slapen, een morgenstond in de avond

bron van de rivier, slapen;

twee dagen die samen opgaan

in het niets, twee stromen

die aan het eind samenvloeien;

twee eenheden alsof het één is

tweemaal niets alsof het niets is.

 

Ik zou zo graag je dood verslapen.”[xxiii]

 

 

Een verlangen om na de dood, te versmelten met de dode geliefde, als een verbeelding van de liefde sterk als de dood, een even sterke kracht die de dood niet ongedaan kan maken maar die wel blijft staan naast de dood. Misschien is dat wel het geheim van het leven na de dood: het gaat niet om het leven, maar het gaat om de liefde.

In het evangelie van Johannes wordt, zo vermoed ik, dit beeld gepresenteerd als basis voor een christelijke hoop. Jezus wordt begraven in een tuin. Als Maria Magdalena arriveert is het graf leeg. Bij de andere evangelisten zijn er drie vrouwen die het graf bezoeken en het leeg aantreffen. Daar geeft een goddelijke bode een duiding. Bij Johannes verloopt het anders. Daarom heeft Johannes er een tuinverhaal van gemaakt, een paradijstuin, waar de dood wordt opgeborgen. Jezus verschijnt;

“Jezus zegt tot haar: Maria! Zij keert om en zegt tot hem in het Hebreeuws: rabbóeni!- dat wil zeggen: meester!” (Joh 20,16) Rabbóeni betekent herkenning, doorbraak, de leraar leeft in de leerling, dat is ook een opstanding. Via de liefde van Maria voor Jezus, die eerst blind van tranen nog niet ziet, maar dan wakker geroepen en gezien door de ogen van de opgestane Jezus, veert Maria op: haar geliefde staat voor haar. De liefde die er was blijkt ook na de dood even krachtig. De slaap van dood heeft haar niet kunnen doden, en in de apostelen, de leerlingen zal deze liefde wakker blijven, een opstanding!

Van die opstanding zullen we daarna getuigen worden in de verhalen: Saulus die in Paulus transformeert maakt dat met zijn leven en zijn werken zichtbaar.

 

Jezus als Woord Gods, “Logos”, – brood uit de hemel[xxiv] – liefde geplant in de mensen om hem heen en uitgegroeid tot levensboom in onze tijd, levensbrood, spijs en drank voor onze ziel in het aangezicht van de dood. Liefde sterk als de dood. Niet de taal van het offer spreekt hieruit, een gestorven voor onze zonden – (of is dit lange weg over vele theologische omwegen om hetzelfde te zeggen?), – maar de taal van ik houd van jou – jij mag er zijn zoals je ten diepste bent. Het is de taal van de herkenning en de erkenning van het wezen van de mens die voor je staat. Dat, waar ieder mens behoefte aan heeft: te worden gehoord en gezien, helemaal. Te worden gekend, helemaal. Niet alleen maar omdat je bepaalde eigenschappen hebt of toevallig ergens goed in bent, omdat je tot een volk of ras behoort. Het blijft daarom ook de kracht van de poëtische taal die ons in leven houdt.[xxv] Poëzie die op alle terreinen van de theologie en de religieuze beleving door kan werken en kaders kan leveren om hoop te formuleren en het mysterie te duiden. Zo het begrip “incarnatie” wat een theologisch kernwoord is om het leven van Jezus te duiden zonder te vervallen in een letterlijk aanwijzen of is gelijk stellen aan in het is-teken. “Incarnatio”, wie is de actant, wie handelt hier? Wie is subject van dit handelen? Wie het object? In het vlees zich openbaren: niet het vlees openbaart, maar in het vlees, namelijk in het leven en werken van Jezus wordt de werkzaamheid van God zichtbaar gemaakt. Dat is meer dan een vingerwijzing, meer dan een aanwijzen, een symbolisch duiden. Het overstijgt ook de taal omdat leven en dood en de belofte die hiermee samenhangt in het geding is.

 

God manifesteert zich in elke mens, in elke Adam, in Jezus wordt dat transparant – God wordt in hem zichtbaar, tastbaar in de daden die hij deed. Alles was bij Jezus verwijzing naar zijn “Vader”. Na zijn dood vindt de omgekeerde beweging plaats: Jezus wordt God en dreigt zo zijn transparantie te verliezen want hij is nu één met de Vader (- hij krijgt met andere woorden, dat gevaar dreigt, teveel “dogmatische substantie”). Wij, op aarde, moeten transparant worden voor God die in ons leeft en werkt. Zoals Jezus transparant werd, zo ook wij. Maar het gevaar blijft aanwezig dat wij in plaats van in het spoor van Jezus te wandelen en zelf zo transparant te worden, doorgeefluik van de geest die in ons leeft, dat wij van Jezus een magische “Godheid” maken om te aanbidden en vergeten dat het om daden gaat en niet alleen om woorden. Stolling is dan het resultaat, we roesten vast en ondergaan zoals alle ijzer, een afbraakproces als wij aan de zuurstof van het leven worden blootgesteld. Verfjes in de vorm van dogma’s kunnen ons uiteindelijk niet beschermen, hoe vaak de lagen ook vernieuwd worden.

 

“DE ALLERLAATSTE REIS.

 

En ik zal gaan.

En de vogels zullen blijven en zingen;

en blijven zal mijn tuin, met zijn groene boom

en zijn witte bron.

 

Elke avond zal de hemel blauw en vredig zijn.

en luiden zullen, net als vanavond,

de klokken van de kerktoren.

 

Sterven zullen zij die van mij hielden;

en het dorp wordt elk jaar weer nieuw;

en in elke hoek van mijn tuin met witte bloesems

zal mijn geest dronken van heimwee ronddwalen…

 

En ik zal gaan; en ik zal alleen zijn, zonder thuis,

zonder groene boom, zonder witte bron,

zonder blauwe en vredige hemel…

en de vogels zullen blijven en zingen.”

Juan Ramón Jiménez – El viaje definitivo[xxvi]

 


[i] Drach, A., Gedichte, Wien 2009 (Paul Zsolnay Verlag) p. 31-32

[ii] Vgl. Kazantzakis, Nikos, Die letzte Versuchung. Roman, Frankfurt am Main Berlin 1995 (Ullstein) p. 457-458; 512

[iii] Saramago, José, Das Evangelium nach Jesus Christus. Roman, Reinbeck bei Hamburg 199 (Rowohlt) p. 464

[iv] Saramago, José, Das Evangelium nach Jesus Christus. Roman, Reinbeck bei Hamburg 199 (Rowohlt) 131

[v] Saramago, José, Das Evangelium nach Jesus Christus. Roman, Reinbeck bei Hamburg 199 (Rowohlt) p. 511

[vi] Jüngel, E., Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens. Eine theologische Studie in ökomenischer Ansicht, Tübingen 2006 (Mohr Siebeck) p. XXI

[vii] Jüngel, E., Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens. Eine theologische Studie in ökomenischer Ansicht, Tübingen 2006 (Mohr Siebeck) p. 1

[viii] Jüngel, E., Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens. Eine theologische Studie in ökomenischer Ansicht, Tübingen 2006 (Mohr Siebeck) p. 3

[ix] Vgl. Jüngel, E., Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens. Eine theologische Studie in ökomenischer Ansicht, Tübingen 2006 (Mohr Siebeck)  p.3-4

[x] in: Jüngel, E., Entsprechungen: Gott – Wahrheit – Mensch. Theologische Erörtungen II, Tübingen 2002 (Mohr Siebeck) p. 327-354

[xi] Vgl. Jüngel, E., Entsprechungen: Gott – Wahrheit – Mensch. Theologische Erörtungen II, Tübingen 2002 (Mohr Siebeck) p. 327

Vgl. ook: Wils, Jean-Pierre, Ars moriendi. Über das Sterben, Frankfurt am Main. Leipzig 2007  (Insel Verlag) p. 45. e.v. wat het ergste te vrezen valt: de dood of het sterven.

[xiii] Vgl. Vgl. Jüngel, E., Entsprechungen: Gott – Wahrheit – Mensch. Theologische Erörtungen II, Tübingen 2002 (Mohr Siebeck) p. 338

[xiv] Jüngel, E., Entsprechungen: Gott – Wahrheit – Mensch. Theologische Erörtungen II, Tübingen 2002 (Mohr Siebeck) p. 342-343

[xv] Vgl. Jüngel, E., Entsprechungen: Gott – Wahrheit – Mensch. Theologische Erörtungen II, Tübingen 2002 (Mohr Siebeck) p. 343-344

[xvi] Vgl. Jüngel, E., Entsprechungen: Gott – Wahrheit – Mensch. Theologische Erörtungen II, Tübingen 2002 (Mohr Siebeck) p. 352-354

Vgl. voor een samenvatting van bijbelse citaten rond de dood en de opstanding: Heine, Jan, Dood, opstanding en eeuwig leven. Tenach en Jodendom, in: Mulder, Etty, Ester, Hans (red.), De schone verbeelding van de dood. Over verwerking en vormgeving van een levensprobleem, Nijmegen 1999 (University Press) p. 140-160

[xvii] Brodkey, Harold, Die Geschichte meines Todes, Reinbeck bei Hamburg 1996 (Rowohlt) p. 156-157

[xviii] Brodkey, Harold, Die Geschichte meines Todes, Reinbeck bei Hamburg 1996 (Rowohlt) p. 188-189

[xix] Vgl. Jiménez, J.R., Platero en ik. Andaloezische elegie, Amsterdam 1951 (Uitg. C. de Boer Jr.)

Jiménez, J.R., Platero en ik. Een Andalusische Elegie, Utrecht 2005 (Uitgeverij Ijzer)

Jiménez, J.R., Platero und Ich. Andalusische Elegie, Frankfurt am Main 1992 (Insel Verlag)

[xx] Jiménez, J.R., Stein und Himmel. Piedra y Cielo. Gedichte spanisch und deutsch übertragen von Fritz Vogelsang, Stutgart 1988 (Klett-Cotta) p. 131

[xxi] Jiménez, J.R., Stein und Himmel. Piedra y Cielo. Gedichte spanisch und deutsch übertragen von Fritz Vogelsang, Stutgart 1988 (Klett-Cotta) p. 81

[xxii] Jiménez, J.R., Stein und Himmel. Piedra y Cielo. Gedichte spanisch und deutsch übertragen von Fritz Vogelsang, Stutgart 1988 (Klett-Cotta) p. 97

[xxiii] “¡Quiero dormir, esta noche” in: Jiménez, J.R., Libros de Poesía, Madrid 1957 (Aguilar) p. 1142 (vertaling van mijn hand)

[xxiv] Vgl. Beuken, Wim e.a. (red.), Brood uit de hemel. Lijnen van Exodus 16 naar Johannes 6 tegen de achtergrond van de rabbijnse literatuur, Kampen 1985 (Kok)

[xxv] Vgl. Strunk, R., Poetische Theologie. Grundlagen-Bausteine-Perspektiven, Neukirchen-Vluyn 2008 (Neukirchener Verlag)

[xxvi] Jiménez, J.R., Herz stirb oder singe. Gedichte, Zürich 1977 (Diogenes) p. 14 (vertaling van mijn hand)

 

 

complete tekst: http://wereld-zelfbeeld-lichaam.canandanann.nl/wereldbeeld%20en%20zelfbeeld/inhoud.htm

Sprekend vlees

Soms op regenachtige dagen is het bijzonder triest hoe sommige mensen een diep gevoel van eenzaamheid uitstralen. Of ze echt eenzaam zijn weet ik natuurlijk niet, maar hun blik roept het bij me op. En soms zie ik ook een verlangen achter de wijze waarop ze gekleed zijn. Sommigen zetten hun biologische output in om existentiële input te ontvangen – via het lichaam hun verlangen naar intimiteit zichtbaar maken. Dat mag, daar is natuurlijk niets mis mee en het ziet goed uit. Maar je verlangen naar bemind worden wordt niet vervuld met enkel het lichaam. Intuïtief zal iedereen dit wel weten, maar het is misschien het proberen waard. Het lichaam is het eerste wat het oog opmerkt en de kledingindustrie, de modewereld, de cosmetica-ondernemers spinnen er garen en euro’s bij.

Als je je echte verlangens kent, weet waar ze vandaan komen en misschien aanvoelt hoe je ze kunt bevredigen is ingrijpen en willen sturen en bepalen misschien niet de goede weg. Want dat zit je vast aan het model: ‘als ik dit doe, gebeurt misschien dat’. Maar in werkelijkheid werkt het zo meestal niet. Wat je echt zoekt, geluk bijvoorbeeld, of liefde, laat zich niet afdwingen of manipuleren. De grote vaart van de pornoindustrie doet daar niets aan af. Hoe groter zelfs hun aandeel hoe groter de leegte die ze zichtbaar maken, een duidelijker bewijs voor dit fenomeen is er niet.

De mens is sprekend vlees, zijn vlees spreekt, zijn lichaam heeft een eigen taal, maar met dit lichaam worden ook woorden gesproken en betekenis gegeven. De mens is tot spreken veroordeeld, spreken is des menszijn. Zonder spreken ben je eigenlijk maar een halve mens en mensen die niet kunnen spreken ervaren dat dagelijks aan den lijve. Als sprekend vlees wil je eens wat ter sprake brengen, maar de dingen die diep zitten, je pijn, je verdriet, je eenzaamheid, je donkere zijdes en ervaringen toch liever niet. Die wil je diep verborgen houden in jezelf. De pest is echter dat ze dan nog veel harder gaan schreeuwen en hoe meer je hen de mond snoert hoe harder ze aan je trekken totdat je gezicht helemaal in grafstemmingsplooien is getrokken. Dan kan er geen lachje meer van af en sta je als het ware op ontploffen. Humor is dan ver te zoeken en zelfrelativering, dat woord ken je helemaal niet meer, laat staan dat je het toepast op je zelf.

Maar de gedachte dat je alles kunt sturen en bepalen, dat je je eigen donkere en verdrietige kanten kunt beheersen is een illusie. De maatschappij mag je dan wel aanpraten dat je zelf baas bent in eigen huis en dat je daarom ook verantwoordelijk bent voor je eigen geluk als je maar hard je best doet, het zijn allemaal leugens omdat er van het verkeerde uitgangspunt wordt uitgegaan. Je hebt het niet in de hand, je bent niet de baas over wat je overkomt, je hoeft niet altijd sterk en dapper te zijn. Soms zit het tegen, dan heb je gewoon pech en moet je het maar even zien uit te houden. Niks vluchten, niks ontsnappen in vertier en ander amusement. Uithouden, doormaken, dicht bij jezelf blijven. Daal maar af in je eigen gemoed – voel maar eens waar de pijn zit en maak dan een opening zodat er wat lucht bij kan, zodat de pijn eruit kan.

Diep van binnen weten we dat we kleine mensen zijn, dat we het moeilijk vinden om ons te  verhouden tot de grote buitenwereld, de oneindige kosmos, een almachtige God als we daarin durven te geloven. Dat absolute van de realiteit jaagt ons meer angst aan dan ons lief is. Daarom zoeken we uitwegen, compensatie voor deze angst, oplossingen om ook iets in de melk te brokkelen te hebben zodat we het idee hebben dat we ergens goed voor zijn en dat onze stem iets uithaalt. Internet is daarom een zegen voor allen die leven van de illusie om iets te betekenen door mee te doen aan virtuele werkelijkheid. Opeens ben je iemand en de hele wereld kijkt mee. Internet biedt talloze mogelijkheden om jezelf te manifesteren. En het is een overwinning op de beperktheden van mijn vlees, mijn lichaam. Opeens kan ik overal tegelijk zijn, meekijken,meepraten, meedoen. Ongekend wat een uitbreiding van mijn vlees en mijn vleselijke stem.

Misschien is het hele project van de verlichting wel een grote compensatie tegenover een als absoluut ervaren God tegenover wie je niets had in te brengen. Leve ons menselijke autonomie want wij horen thuis op de troon. Er is alleen een klein probleem. We leven te kort. We zijn slechts episode. Wij zijn ondanks onze goede wil gedoemd om te sterven. Zo zit dat en dat zou ons bescheiden kunnen maken. Onze wetenschappelijke attitude doet ons onze ketenen onderzoeken: waardoor worden we bepaald, wat doet dat met ons, en met ons lichaam. Als we daarachter komen kunnen we misschien ingrijpen en via technieken verbeteringen aanbrengen. Zo denken we de wereld en de werkelijkheid te kunnen bepalen en aan te sturen. En het werkt. Kijk maar om je heen. Maar het is slechts een halve waarheid. Het gaat niet alleen om de kooi waarin bepalen en bepaald worden met elkaar strijden, een kooi vol waanbeelden waarin steeds meer mensen schijnen te worden opgesloten. Autonomie is al lang geen toverwoord meer maar het kent nog veel aanhangers. Als autonoom ben je steeds in gevecht, moet je je positie, je plek, je ambitie waarmaken en verdedigen. Dat valt niet mee en kost veel energie.

Misschien is daarom een andere houding voordeliger en levert ze meer op voor je persoonlijk welzijn: de houding van ontvangen. In feite ben je als lichaam, als sprekend vlees al helemaal klaar. Je ontvangt jezelf en bent er blij mee, dat noem ik volwassenheid. Als je er niet blij mee bent, kun je misschien ingrijpen via de chirurg, maar veel kun je niet veranderen. Je zult het ermee moeten doen. Als baby heb je geen keuze dan om te ontvangen, als je ouder wordt leer je ook grijpen, dan begrijpen en dan sturen en bepalen. Als je nou maar niet denkt dat je er dan bent. Want het is zoals gezegd slechts een halve waarheid. Als je langzaam oud wordt en je levenseinde nadert raak je weer alles kwijt en is ontvangen het enige wat je nog rest. Misschien valt het niet mee, maar ik vermoed dat degene die hier het best in slagen het meeste geluk uitstralen. De anderen worden eerder bitter door zoveel onmacht om te blijven bepalen.

Daarvan kunnen we als sprekend vlees veel leren: probeer in balans te blijven door het ontvangen een grote plek in je leven te geven. Vaak heb je geen andere keuze, waarom er dan niet een extra kwaliteit van maken. Als je durft te ontvangen, open staat, komt de verwondering vanzelf mee, en daarmee ook het wonder van je leven. Als je alles durft te ontvangen met een open mind kan je eigenlijk niets gebeuren en openbaart zich een wonderlijke vorm van vrijheid en van geluk, want het is goed zo. Ik vermoed dat het daarom ook ging in de tuin, de laatste worsteling van Jezus in de hof van olijven voordat hij werd gearresteerd, gemarteld en gedood. Hij zweette bloed en tranen: lichamelijker kan het niet. Zijn lichaam sprak: “laat deze beker aan mij voorbij gaan” en toch nam hij hem aan en dronk hem tot de bodem. Had hij een andere keuze? Hij had kunnen weglopen, vluchten, zijn verhaal en zijn inzet terugtrekken: “foutje, bedankt, was even verkeerd bezig, sorry, zal het niet meer doen.” Misschien was hij dan gered uit de klauwen van zijn vervolgers. Als Judas verraad een poging was om Jezus aan te zetten tot de vestiging van zijn koninkrijk, dan had hij ook nu de plank misgeslagen. Met geweld, met dwang en met manipulatie kom je er niet. Maar het is niet zonder risico, niet zonder pijn en veel zwart verdriet om je ‘zomaar’ over te kunnen geven aan wat er op je weg komt. Het verhaal van Jezus laat zien dat het niet vanzelf ging en dat er heel veel worsteling aan vooraf ging. En alle niet christenen zullen zeggen: verspilde moeite, vergeefs gebaar, zinloze daad. Dat kan en dat mag. Maar het is geen kwestie van theorie, maar van praktijk: zelf ondergaan wat er op je pad komt in een houding van ontvankelijkheid. Jouw vlees staat in het middelpunt, het is jouw vlees waaraan het vonnis wordt voltrokken. Gelukkig zijn we meestal niet in de omstandigheid dat we zo op de proef worden gesteld als Jezus in de hof van olijven. Maar uiteindelijk gaan we een keer dood en wacht de dood op ons als de volstrekker van ons leven, de absolute grens. De monniken, trappisten in Algerije zongen op kerstavond voordat ze later werden ontvoerd en afgeslacht door extreme fundamentalisten in de film over hun dood: “omdat Hij met ons is in deze tijd van geweld, dromen wij niet dat Hij overal is, behalve waar men sterft. Versnellen wij de pas en wenden wij ons geduldig tot Hem, gaan we naar de man van smarten die ons wenkt aan het kruis omdat hij met ons is als op de dag van Pasen. Laten wij de afspraak niet missen van het vergoten bloed, nemen wij het brood, drinken wij de kelk van de overgang, ontvangen wij Hem die zich gegeven heeft, elkaar liefhebbend tot het einde.” Een mooier tafelgebed, tafellied heb ik niet gehoord. “Wij dromen niet dat God overal is, zeker niet in deze tijden van geweld.” Deze nacht, deze godsverduistering is voor velen een feit. Ook in ons leven is er misschien meer de ervaring van ontbreken dan van aanwezigheid. Maar toch, als Hij in de dood op ons wacht, als de dood het gezicht is van de doorgang, een nieuw begin, waarvoor zouden we dan in Godsnaam bang moeten zijn. We hebben niets te verliezen als ons leven is volbracht. Helemaal ontvankelijk vallen wij in de handen van God – onze ontvankelijkheid wordt zijn ontvangen. Ons vlees tot spreken veroordeeld mag zwijgen in zijn licht en komt zo tot voltooiing. Mooier kun je het toch niet bedenken?

John Hacking

29 juni 2011

Pinksteren: beker worden

 

Zondag 15 mei jongstleden, om 6 uur in de morgen heb ik mijn Pinksterervaring gehad. Dat was in de meditatieruimte van de abdij te Echt, na het ochtendofficie.  Nou bent u natuurlijk heel nieuwsgierig hoe dat was – of er vurige tongen waren en daarna een spreken in tongen, een “begeisterd” naar buiten treden en het uitroepen. Niets van dat alles. Het bleef stil in mij, ik bleef rustig maar ik heb wel iets nieuws ontdekt, een inzicht, een beeld dat mij verder helpt.  En natuurlijk kwam het niet uit de lucht vallen, er ging iets aan vooraf. Dat zal ik eerst vertellen.

Na mijn sabbatical heb ik een boeiend boek gelezen  over de poëtische kracht van de bijbelse verhalen.  De taal van de poëzie is bij uitstek geschikt om de wonderbaarlijke gebeurtenissen te  beschrijven waar de bijbel over spreekt. Exacter uitgedrukt:  de poëzie en de metaforische beeldspraak verbeelden de gebeurtenissen. Dus vandaag geen mechanische beschrijving van het vuurtongenwonder, of een rationele verklaring vanuit een metapositie over dit gebeuren vanuit een tekstanalyse. Er staat trouwens het woordje alsof, alsof er tongen van vuur…dat zegt al genoeg, onze verbeelding wordt hier aangesproken. Nee, we blijven in de tekst staan en gaan mee in de beeldspraak en laten ons door de poëzie ervan leiden. Geen gemaar, van hoe dat kan of het wel echt is, enzovoort. We nemen de tekst voor lief want het is poëzie.

Nou blijkt dat veel bijbelse verhalen een typische structuur hebben die alles te maken  heeft met de waarneming van de werkelijkheid… wie oren heeft, die hore… Die structuur heeft drie kernbegrippen of stadia: irritatie, ontdekking en transformatie. In ons Pinksterverhaal is dat goed te lezen: het volk is in verwarring na het spreken in  tongen als iedereen zijn eigen taal hoort. Noem het verwarring, noem het irritatie,  of noem het het stellen van een goede vraag – dan is de basis geschapen voor iets nieuws.

Wij ontdekken door de citaten die Petrus aanhaalt, dat hij het gebeuren duidt vanuit een  nieuw perspectief, vanuit een nieuwe ontdekking die hem door de Geest zonet is  ingegeven, namelijk dat Jezus de Christus is, de Messias. Het kwartje is gevallen. De citaten worden stuk voor stuk ingezet als argument in zijn betoog.  Zie je wel, we hadden het kunnen weten, het stond er al, lang voordat wij het wisten. Herkenning dus.

En het gevolg is dat velen zich laten dopen, transformatie omdat ze diep getroffen zijn. Zonder irritatie, zonder open gaan voor nieuwe dingen, zonder het stellen van goede  vragen is er niet zoveel mogelijk. Dan blijven wij in onze eigen sentimenten steken, spelen taalgrenzen een rol, hebben nationalistische opvattingen de overhand.

Pinksteren is een grenservaring, de limes, de grenzen overschrijdend. Liminaliteit is hier aan de orde, het spel van grensoverschrijding en dan en daar precies kunnen nieuwe dingen plaatsvinden. Met Pinksteren worden de leerlingen gedoopt met  vuur en vol vuur spreken hun tongen een boodschap voor iedereen, de hele wereld. Maar hoe is het zover kunnen komen en nog belangrijker hoe kunnen wij dit ervaren?

Ik vermoed dat de citaten die Petrus aanhaalt misschien voor ons toch minder  zeggingskracht hebben want we zijn niet zo bijbelvast, we geloven niet in sprookjes, we willen bewijzen en geen citaten, we zien en horen en dan misschien geloven. Kortom boter bij de vis.  Petrus en de leerlingen zijn natuurlijk zelf het levende bewijs dat de geest in hen werkt. Op hen is de kerk gebouwd – niet als een stenen constructie, maar als een doorgeven van  dezelfde geest aan een telkens nieuwe generatie. En wel over de hele wereld. Maar brandt de geest ook bij ons, kunnen wij Pinksteren in ons leven ervaren?

Daarvoor heb ik twee dingen meegebracht: dit aardewerk object en dit stuk karton. Dit stukje klei heeft twee kanten: een gesloten en een open kant. Het is gemaakt door een  van de studenten van de rouwgroep. Het zijn twee kanten van een houding. Gesloten voor je verdriet en open voor je verdriet.  Dat is zijn de mogelijkheden die de leerlingen van Jezus hadden na zijn gruwelijke dood. Door wat er gebeurd is zijn ze zacht geworden, zijn ze open gaan staan,  hebben ze het verdriet en vooral de pijn en de teleurstelling toegelaten. Hemelvaart en vooraf het blijde weerzien met Jezus doen daar niets aan af. Want na Hemelvaart staan ze er toch weer alleen voor. Moeten ze het zelf doen.

Doorgaan met leven, verder leven op de brokstukken van wat is gebeurd. Het is een keuze die wij allemaal hebben als ons iets ernstigs overkomt: We kunnen ons afsluiten of we kunnen opengaan en het opnemen en ondergaan. Misschien met veel tranen, veel gehuil en geschreeuw, dat hoort er soms bij. Dat brengt met op het tweede object: het (cirkelvormig) karton met een gat hier in ons midden.

Afgelopen donderdag had ik een workshop zingen tijdens de bijeenkomst van de VPW. Jan Kortie schetste een beeld van de mens aan de hand van een cirkel: In het midden van de cirkel zit de essentie, het diepste zelf, het diepste innerlijk. Daar resoneert en trilt alles, daar is het leeg en is eenvoud het kenmerk. Erom heen, zit de persoon, misschien wel veel stukjes persoon. Die persoon is vaak een zwoegende, zwetende, ploeterende stakker  die probeert om het beste ervan te maken. Maar met zingen heb je daar niet zoveel aan.  Als je zingt vanuit je essentie zing je anders dan vanuit je persoon.

De kunst is nou om dat te laten gebeuren en daarvoor heb je je stem. Alles wat in de weg zit om je diepste zelf te laten klinken kan materiaal zijn om over te  zingen: alle pijn, alle verdriet, alle teleurstelling in het leven, in je medemens,  kan eruit komen als lied, als rauwe kreet, als fado, als psalm, als smartlap. Zo komt er langzaam ruimte in je binnenste zelf. Dat was donderdag een wijze les.

Maar nu bent u natuurlijk nog niet wijzer geworden over mijn persoonlijke pinksterervaring. Ik zal eerst een kleine handeling verrichten. (Het karton wordt met moeite gevouwen en vastgeplakt tot een kom) Ziet u wat gebeurt is? de mens is een beker, een kelk, een vat geworden.  Dat gaat niet vanzelf, en vaak lukt het ook niet. Maar het is het pogen waard. Dat heb ik die ochtend in de abdij ontdekt.

De abt zei het al in een prachtig gesprek dat wij met hem hadden de avond ervoor. Elk mens, zo zei hij, heeft diep van binnen een niet op te vullen leegte. We sterven tenslotte allemaal alleen, ten diepste alleen. Als kloosterling kun je je hier  extra van bewust zijn omdat zij het ontbreken van intimiteit ook als pijn kunnen ervaren. Maar ook al ben je getrouwd, heb je veel vrienden, er blijft een stukje dat niet vervuld kan worden en drank en drugs, kicks en passies, hobby’s en vakanties vullen dit niet op.

“Wij houden deze leegte, die soms kan aanvoelen als een schrijnende wond, open” zei de abt. Zie daar in onze kartonnen mens: de leegte in het midden, de essentie. De ochtend daarna dacht ik: als je de leegte niet moet opvullen, als de leegte ook de plek is waar je misschien iets van God mag ervaren omdat hij in deze leegte woont, in jouw innerlijk niets, dan kun je je leven ook beschouwen als een beker, als een kelk.

“Kun jij de kelk drinken die ik drinken moet” vroeg Jezus aan zijn leerlingen – kun jij het lijden ondergaan wat mij te wachten staat? Dat maakte in mij de pinksterervaring los: als wij niet om het lijden gevraagd hebben maar het toch op ons bordje krijgen, in onze beker krijgen uitgegoten,  dan is er eigenlijk geen andere weg dan het te ondergaan en te aanvaarden  zoals een kelk de wijn aanvaardt en vasthoudt. Wijn van pijn en van belofte. De beker met wijn – die tevens het symbool is van mijn naamgenoot Johannes.

Wij kunnen ons proberen af te schermen of we kunnen proberen het te doorstaan. Beide mogelijkheden staan open.  Ik geloof, en daar ben ik na mijn pinksterervaring wel van doordrongen dat openstaan en ondergaan vrijheid kan geven, onnoemlijk veel vrijheid en veel ruimte. Want in mijn diepste wezen, mijn diepste zelf is geen pijn: alleen de persoon voelt die. Ze is van voorbijgaande aard, mijn persoon lijdt, maar dat kan ik uitschreeuwen. En als dit misschien irritatie bij u oproept, des te beter…

Pinksteren is dus niet een ontvangen van een geest die van buiten komt – duifjes op je kop, vuurtjes boven je hoofd. Nee het is de geest die in je woont ruimte geven, de leegte in jezelf accepteren, kelk en beker zijn. Dan kan de geest gaan  stromen. Daarom van harte een zalig Pinksteren.

 

John Hacking

Studentenkerk Radboud Universiteit Nijmegen

Overweging gehouden met Pinksteren 12 mei 2011

gelezen Handelingen 2,1-42

 

God in het lichaam – lijden als deur

God in het lichaam – het lichaam in God

“Wenn du keinerlei Mass kennst, misst du dich mit Gott. Jeder Existenz bringt ihn uns näher. Denn er ist lediglich unser Unvermögen, irgendwo innezuhalten. Alles Schrankenlose – Liebe, Wut, Wahnsinn, Hass – ist wesentlich religiös”

Cioran

Dans is de kunstvorm die de ruimte gebruikt en die in dialoog met die ruimte het lichaam inzet om de ruimte te bezetten, te exploreren en zo zichtbaar te maken voor de toeschouwer en de danser zelf. De zichtbaarheid is niet alleen visueel maar vooral ook tactueel.

Muziek doet dat met het gehoor. Moderne muziekclips vertellen een verhaal en dat vaak in meerdere dimensies. Er wordt een verhaal verteld door de muziek dat via tekst en toon wordt geaccentueerd. Daarnaast vertellen de beelden nog een eigen verhaal, kenmerkend voor de stijlvorm van de cinema, oorspronkelijk Grieks voor bewegen. Bewegende beelden nemen de toeschouwer mee in een nieuwe wereld, ondersteund en versterkt door de muzikale basis. Het gehoor krijgt hierbij andere impulsen dan het oor dat luistert naar een verteld verhaal bij het kampvuur of een stukje muziek zonder begeleidend beeld. In de muziekvideo, zo lijkt het, is het gehoor op de tweede plaats gekomen en gaat het vooral om de visuele indrukken. In de concertzaal zijn die visuele indrukken te gering en daarom wordt aan de kant van het geluid extra input gegeven zodat de toehoorder/toeschouwer overdonderd wordt met een lawine aan geluid, een vorm van communiceren die op de getijden lijkt aan de zee. In de videoclip, maar ook in het muziekstuk speelt de herhaling een belangrijke rol. Fragmenten rollen over elkaar heen maar keren ook terug, net zoals het thema en/of refrein in het muziekstuk. Muziek gecombineerd met dans maken veelal de kern uit van de moderne videoclip waarbij de dans niet functioneel hoeft zijn, dat wil zeggen iets hoeft uit te beelden. De dans is soms ook ontlading, muzikale extase in gebaren, of symbolische aanbieding en afstoting van het lichaam aan de andere partij in de film of erbuiten, de kijker. Wat ons in een videoclip voor ogen wordt getoverd is een product van vele handen en hoofden. En hoe goed ook bedacht en uitgevoerd, zonder vertoning en zonder kijkers is het verspilde moeite. Daarom wordt de populariteit van muziekvideo’s uitgedrukt in kijk- en koopcijfers om zo de gedane inspanningen te compenseren en geld te verdienen aan de verlangens van de consument door hem deel te laten nemen aan het spektakel. Die deelname is plaatsvervangend en op afstand. Moderne danspaleizen die mogelijk zijn geworden sinds de mens muziek is gaan maken bieden het echte beleven aan van muziek en dans. De techniek helpt een handje met het versterken en verspreiden van de muziek en de begeleidende beelden en effecten (rook). Voorbeelddansers op verhogingen geven het ritme aan en de show kan voortduren. Soms geholpen door chemische versterking houden de dansers het de hele nacht vol. In feite is er lichamelijk gezien nauwelijks iets veranderd sinds de animistische dansen van de stamleden bij bepaalde gebeurtenissen. Het religieuze karakter van die dansen is geseculariseerd en komt in een nieuw jasje terug in de feesten waar dans een must is en deel uitmaakt van de kern. Dans en muziek zijn een gouden koppel.

Lijden als deur

“In der Mystik und im Unglück wird das “Herz” zum Sinnbild des Alls. Seine Häufigkeit im Wortschatz des Menschen zeigt an, bis zu welchem Grade jenes Wesen die Welt zu entbehren vermag. Wenn alles dich verwundet, treten Verblutungen an die Stelle dieses Alles. So ersetzen die Herzwunden Himmel und Erde.”

Cioran

Dans en muziek zijn ook bij uitstek het medium waarbij het goddelijke bezit kan nemen van het lichaam. De extase, de trance, de vormen van lichamelijk en geestelijk beïnvloed zijn  door drank, drugs, lichaamsvreemde en lichaamseigen stoffen, het zijn zovele toegangen voor het goddelijke in het leven van de mens. De religies vertellen al eeuwen dit verhaal en maken in hun rites dit zichtbaar. Opdat het goddelijke kan binnentreden moet er eerst een conditie geschapen worden opdat dit kan. Omgekeerd zou je kunnen zeggen moet het lichaam in een bepaalde staat worden gebracht opdat er ruimte vrijkomt, een leegte, waar dit goddelijke gebruik van kan maken. Elaine Scarry schrijft in “The Body in Pain” dat pijn de kracht heeft om alle aspecten van het zelf en de wereld teniet te doen. Een manifestatie hiervan wordt zichtbaar in de religieuze ervaring. Zichzelf pijn toebrengen maakt vaak de weg vrij voor nieuwe ervaringen omdat het zelf en de wereld uit het blikveld verdwijnen, als het ware oplossen. Volgens Scarry is dat ook de verklaring voor het feit dat pijn vaak op een obsessieve wijze aanwezig is in het religieuze ritueel, in de vormgeving en de inhoud van de religieuze beelden. Ze noemt met name de kruisiging van Jezus van Nazareth zulk een excessieve vorm van pijn ondergaan, die daarom niet voor niets, volgens haar, in het middelpunt staat van het christendom.

Ook in persoonlijke visioenen keert pijn vaker terug. Mystici zoals Hadewich,  Teresia van Avila getuigen hiervan en ook Johannes van het Kruis die spreek over God als een donkere nacht voor de ziel. Teresia van Avila schrijft in een brief waarschijnlijk in 1571 tot een pater: “Er werd een liedje gezongen over de smart die het leven zonder God betekent. Omdat ik reeds die pijn voelde, maakte het liedje zo’n indruk op mij dat mijn handen koud werden. Ik kon er niet aan weerstaan. Zoals ik buiten mijzelf geraak door vervoeringen van tevredenheid, op dezelfde manier wordt de ziel vervoerd door die zeer grote smart, ze is als van zichzelf vervreemd. Tot op vandaag heb ik dat niet begrepen. Ik had eerder de indruk sedert enige dagen niet meer die hevige opwellingen te hebben zoals vroeger. De oorzaak schijnt de zojuist vermelde te zijn. Ik weet niet of het mogelijk is. Vroeger kon de smart niet naar buiten treden en, aangezien ze ondraaglijk is, en ik bij volle bewustzijn was, deed ze me grote kreten uiten die ik niet kon bedwingen. Nu de pijn heviger is geworden en tot een ware doorboring werd, begrijp ik beter de smart van Onze-Lieve-Vrouw. Tot zover begreep ik het niet – zoals ik zeg – wat doorboring was. Mijn lichaam is zó gebroken dat ik nog vandaag met veel moeite schrijf, mijn handen lijken als pijnlijk ontwricht. Zodra U mij ziet, moet U me zeggen of die vervreemding door die pijn veroorzaakt kan worden, of ik ze voel zoals ze is, en of ik mezelf niet bedrieg. Tot deze morgen voelde ik die pijn. Tijdens het gebed ondervond ik een grote vervoering. Het leek me dat de Heer mijn geest tot bij de Vader bracht en Hem zei: “Ik geef U haar die gij Mij gegeven hebt”. Het was alsof Hij mij tot Zich trok. Dat is geen inbeelding, maar een grote zekerheid, zoiets geestelijks fijns dat men het niet helemaal kan uitdrukken.”

Teresia van Avila heeft in de gaten dat de pijn ook vervreemdend werkt en dat al het vertrouwde achter de horizon van de pijn verdwijnt. De pijn is echt want haar lichaam draagt er de sporen van. Maar toch is ze niet helemaal zeker. Over de inhoud van haar visioenen is ze stelliger. Toch beseft ze ook dat het spreken en schrijven hierover ruimte scheppen: ze kan erop reflecteren en in de reflectie kan zij zich ertoe verhouden. Als de pijn niet geuit kan worden, het visioen niet gedeeld blijft de ziel gevangen in zichzelf: “Vandaag antwoordde de Heer mij. Hij zei me niet verwonderd te zijn. Evenals de stervelingen gezelschap verlangen om hun zintuigelijke tevredenheid mee te delen, zo verlangt de ziel haar vreugde en lijden mee te delen aan iemand die haar begrijpt. Ze is dan ook bedroefd als ze niemand vindt.”

Teresia van Avila heeft veel visioenen waar ze over schrijft, ook tegenover haar medezusters. Toch is zij ook een nuchtere vrouw die het geluk mag smaken om te lezen en te schrijven, een geluk dat in haar tijd voor vrouwen allesbehalve vanzelfsprekend was. Zij is een vrouw die inzicht heeft en die haar medezusters kan begeleiden op de moeilijke weg van de mystieke ervaring. In het boek “Kloosterstichtingen” gaat ze uitgebreid in op de waarde van visioenen en de gevaren die eraan kleven. Ook bekijkt ze psychologische gemoedstoestanden zoals melancholie en geeft ze raad hoe hier mee om te gaan. Een raad vooral gericht aan de leidsters van het klooster.

Als het lijden van het lichaam de weg vrij kan maken voor religieuze ervaringen, voor een binnenkomen van het goddelijke in het lichaam, hoe zit het dan met het lijden van hen die niets meer te verliezen hebben behalve hun leven, de zogenaamde “muzelmannen” in het concentratiekamp? In de mystieke ervaring wordt vaker over een vorm van dood-zijn gesproken, een afsterven, een situatie waarin het leven niet meer mee schijnt te doen. Daarom wil ik het voorbeeld van een “echte bijna-dood-situatie”  aanhalen als vergelijking. Ik blijf stilstaan bij dit voorbeeld omdat de dood hier zichtbaar wordt in het leven. De dood strekt als een geest reeds zijn tentakels uit.

Wat is dat: bijna levend dood?

Giorgio Agamben onderzoekt deze situatie in aansluiting bij Xavier Bichat: “Seine gesamten Recherches physiologiques sur la vie et sur La mort gründen sich auf die Feststellung einer fundamentalen Spaltung im Leben, das er darstellt als das Zusammenleben zweier Lebewesen ein jedem Organismus: des innerlich existierenden Wesens (animal existant en dedans), dessen Leben – das Bichat organisch nennt und mit dem einer Pflanze vergleicht – lediglich in einer »regelmäßigen Abfolge von Assimilation und Ausscheidung besteht, und des nach außen gerichteten Wesens (animal vivant au-dehors), dessen Leben – das als einziges »animal« genannt zu werden verdient – von der Beziehung zur Augenwelt bestimmt wird. Die Spaltung zwischen dem Organischen und dem Animalen durchzieht das gesamte Leben des Individuums. Bemerkbar macht sie sich im Gegensatz zwischen der Kontinuität der organischen Funktionen (Blutkreislauf, Atmung, Assimilation, Ausscheidung usw.) und der »Intermittenz« der animalen Funktionen (deren auffälligste die von Schlafen und Wachen ist), zwischen der Asymmetrie des organischen Lebens (ein einziger Magen, eine Leber, ein Herz) und der Symmetrie des animalen Lebens (das symmetrische Gehirn, zwei Augen, zwei Ohren, zwei Arme usw.) und schließlich in der Ungleichzeitigkeit ihres Beginns bzw. ihres Endes. Wie nämlich im Fötus das organische Leben vor dem animalen beginnt, so überlebt es im Altern und in der Agonie den Tod des animalen Lebens. Foucault hat darauf aufmerksam gemacht, wie sich der Tod bei Bichat vervielfacht, wie er zu einem fortlaufenden, in einzelnen Schritten erfolgenden Tod wird, der sich in eine Reihe von Teil-Toden aufteilt: Tod des Gehirns, der Leber, des Herzens . . . Doch was Bichat nicht hinnehmen kann, was sich ihm weiterhin als hartnackiges Rätsel darstellt, ist weniger diese Vervielfachung des Todes als vielmehr das Überleben des organischen Lebens gegenüber dem animalen, das unbegreifliche Fortdauern des innerlich existierenden Lebewesens, wem das nach außen gerichtete Lebewesen bereits aufgehört hat zu existieren.”

Agamben stelt dat het verval van de uiterlijke zintuigen lijkt op de vervreemding van de wereld waarin de muzelman is vervallen in zijn apathische toestand. “Waarom existeren wij nog inwendig, als ons naar buiten gekeerde leven reeds gestopt is, omdat zintuigen en beweging toch voor alles bedoeld zijn om ons in contact met voedsel te brengen?” vraagt Bichat zich af en wist toen nog niet dat het vegetatieve leven met behulp van de techniek in stand gehouden kon worden zoals sommige hedendaagse praktijken laten zien waar mensen jarenlang in coma liggen. Agamben gaat nog een stuk verder en noemt de situatie van de muzelman een resultaat van een werkelijke macht die uit was op deze vorm van vegetatief leven als laatste stadium van hen die als ongewenst werden beschouwd.

“Foucault definiert, wie wir gesehen haben, die Differenz zwischen der modernen Bio-Macht und der souveränen Macht des alten Territorialstaates durch die Kreuzung zweier symmetrischer Formeln. Sterben machen und leben lassen lautet die Devise der alten souveränen Macht, die vor allem als Recht zur Tötung ausgeübt wird; leben machen und sterben lassen ist das Prinzip der Bio-Macht, die in der Verstaatlichung des Biologischen und der Sorge um das Leben ihren Hauptzweck sieht. Im Licht der vorangegangenen Überlegungen drängt sich eine dritte Formel auf, die zwischen den beiden anderen steht und das spezifischste Merkmal der Biopolitik des 20. Jahrhunderts erfasst: nicht mehr sterben machen oder leben machen, sondern überleben machen. Nicht das Leben oder der Tod, sondern die Erzeugung eines modulierbaren und virtuell unendlichen Überlebens ist die entscheidende Leistung der Bio-Macht unserer Zeit. Es handelt sich darum, im Menschen jedesmal das organische vom animalen Leben zu trennen, das Nicht- Menschliche vom Menschlichen, den Muselmann vom Zeugen, das durch die Reanimationstechniken in Gang gehaltene vegetative Leben vom bewussten Leben, bis ein Grenzpunkt erreicht wird, der, wie die geopolitischen Grenzen, im wesentlichen beweglich ist und sich mit dem Fortschritt der wissenschaftlichen und politischen Technologien verschiebt. Der höchste Ehrgeiz der Bio-Macht besteht darin, in einem menschlichen Körper die absolute Trennung von Lebewesen und sprechendem Wesen, von zoé und bios, von Nicht-Mensch und Mensch zu erzeugen: das Überleben.

Deswegen manifestiert der Muselmann im Lager – so wie heute der Körper des Ultrakomatösen oder des néomort in den Reanimationsraumen – nicht nur die Wirksamkeit der Bio-Macht, sondern offenbart sozusagen ihre geheime Chiffre, ihr arcanum. In seinem Werk De arcanis rerum publicarum (1605) unterschied Clapmar innerhalb der Struktur der Macht eine sichtbare Seite (das ius imperii) und eine verborgene Seite (das arcanum, dass er von arca, Schrein, Geldkasten ableitete). Bei der heutigen Bio-Macht ist das Überleben der Punkt, an dem die beiden Seiten zusammenfallen und das arcanum imperii als solches zutage tritt. Deswegen bleibt es gerade in seiner Exponiertheit unsichtbar, verbirgt sich, je mehr es dem Blick ausgesetzt ist. Im Muselmann wollte die Bio-Macht ihr letztes arcanum schaffen, ein von jeder Möglichkeit des Zeugnisses getrenntes Überleben, eine Art absoluter biopolitischer Substanz, die in ihrer Isolierung die Zuweisung jeglicher demographischer, ethnischer, nationaler oder politischer Identität zulasst. War im Jargon der nationalsozialistischen Bürokratie jeder auf irgendeine Weise an der »Endlösung« Beteiligte ein Geheimnisträger«, so ist der Muselmann das absolut unbezeugbare Geheimnis, die nicht zu enthüllende arca der Bio-Macht. Nicht zu enthüllend, weil leer, weil nichts als der »volklose Raum« im Zentrum des Lagers, der jedes Leben von sich selbst trennt und damit den Punkt markiert, an dem der Burger in den »Staatsangehörigen« nichtarischer Abstammung übergeht, der Nichtarier in den Juden, der Jude in den Deportierten und schließlich der deportierte Jude in etwas jenseits seiner selbst – in den Muselmann, in ein nacktes Leben, unzuweisbar und unbezeugbar.”

Agamben presenteert deze gebeurtenissen ook als een argument in zijn bewijsvoering dat de macht van de wereldlijke leiders over leven en dood gegrondvest is in een soort religieuze herleiding tot de goddelijke macht. In dit geval kunnen we stellen dat God binnen komt via de macht van de mens over leven en dood en dat de mens zich goddelijke macht toe-eigent en als het ware als een god gedraagt. Een soort omgekeerd visioen à la Teresia van Avila, waar niet de liefde maar de macht doceert in naam van God. Ook Robert Antelme kan hierover meespreken als authentieke getuige:

“Nie ist man der Gesundheit der Natur gegenüber so aufgeschlossen gewesen. Nie ist man auch so nahe daran gewesen, eins zu werden mit der Allmacht des Baums, der sicherlich auch morgen noch lebendig sein wird. Man hat alles vergessen, was in dieser starken Nacht stirbt und verwest, auch die einsamen und kranken Tiere. Wir haben den Tod von den Dingen der Natur verjagt, weil wir in ihr keinen Geist sehen, der sich gegen die Dinge stellt und sie verfolgt. Wir fühlen uns so, als hätten wir jede mögliche Verwesung aufgesogen. Was in diesem Saal ist, erscheint als die außergewöhnliche Krankheit, und unser Tod hier als der einzig wirkliche. Den Tieren so ähnlich, ist jedes Tier für uns etwas großartigesgeworden; jeder verwesenden Pflanze so ähnlich, erscheint uns das Schicksal dieser Pflanze ebenso prachtvoll wie dasjenige, das durch den Tod im Bett zu Ende geht. Wir sind so weit, daß wir allem ähneln, das nur noch kämpft, um zu essen, und stirbt, wenn es nicht ißt, wir sind so weit, daß wir auf der gleichen Ebene stehen wie eine andere Gattung, die nie die unsere sein wird und der wir doch entgegenstreben; aber diese Gattung, die wenigstens nach ihrem eigenen, authentischen Gesetz lebt – Tiere können nicht tierischer werden -, erscheint ebenso großartig wie unsere »wirkliche«, deren Gesetz es durchaus sein kann, uns hierher zu bringen. Aber es gibt keine Zweideutigkeit, wir bleiben Menschen, wir werden nur als Menschen enden. Die Entfernung, die uns von einer anderen Gattung trennt, bleibt erhalten, sie ist nicht historisch. Es ist ein SS-Traum zu glauben, unsere historische Mission sei es, zu einer anderen Gattung zu werden, und da diese Verwandlung zu langsam stattfindet, töten sie. Nein, diese außergewöhnliche Krankheit ist nichts anderes als ein Höhepunkt in der Geschichte der Menschen. Und das kann zweierlei bedeuten: zunächst einmal, daß wir die Beständigkeit dieser Gattung unter Beweis stellen, ihre Unveränderlichkeit. Und dann, daß die Vielfalt der Beziehungen zwischen den Menschen, ihre Hautfarbe, ihre Sitten und Gebräuche, ihre Aufteilung in Klassen eine Wahrheit verdecken, die hier, am Rande der Natur, wo wir an unsere Grenzen gekommen sind, ganz deutlich zutage tritt: es gibt nicht mehrere menschliche Gattungen, es gibt nur eine Gattung Mensch. Und weil wir Menschen sind wie sie, wird die SS letztlich nichts gegen uns ausrichten können. Und weil sie versucht haben, die Einheit dieser Gattung in Frage zu stellen, werden sie am Ende vernichtet werden. Aber ihr Verhalten und unsere Lage sind nur die Überzeichnung, die auf die Spitze getriebene Karikatur – in der sich sicherlich niemand wiedererkennen will noch kann – von Verhaltensweisen, von Situationen, die es in der Welt gibt und die sogar jene alte »wirkliche Welt« sind, von der wir träumen. Tatsächlich verhält sie sich so, als gäbe es mehrere Gattungen – oder genauer, als ob die Zugehörigkeit zur Gattung Mensch nicht sicher sei, als könne man da ein- und ausgehen, nur halb dazugehören oder ganz dazugehören oder nicht einmal im Verlaufe von Generationen dazugehören – die Aufteilung in Rassen oder in Klassen gehört zu Richtschnur und erhält das immer bereite Axiom, die letzte Verteidigungslinie: »Das sind keine Leute wie wir.«

Hier nun ist das Tier ein Luxusgeschöpf, der Baum ist eine Gottheit, und wir können weder Tier noch Baum werden. Wir können es nicht, und die SS kann uns nicht dazu bringen. Und ausgerechnet in dem Augenblick, in dem die Maske ihren häßlichsten Ausdruck angenommen hat, in dem Augenblick, in dem sie unser Gesicht werden wird, fallt sie. Und wenn wir dann das denken, was hier sicherlich das Beachtlichste ist, was man denken kann: »Die SS-Leute sind Menschen wie wir«; wenn wir zwischen den SS-Leuten und uns -das heißt im Augenblick der größten Distanz zwischen den Menschen, im Augenblick, in dem die Grenzen der Unterwerfung der einen und die Grenzen der Macht der andern in einer übernatürlichen Beziehung erstarrt zu sein scheinen – im Angesicht der Natur und im Angesicht des Todes keinen wesentlichen Unterschied sehen können, müssen wir sagen, daß es nur eine menschliche Gattung gibt. Daß alles, was diese Einheit in der Welt verstellt, alles das, was die Menschen in die Situation von Ausgebeuteten, von Unterjochten…. bringt und gerade dadurch das Vorhandensein verschiedener Gattungen implizieren würde, falsch und wahnsinnig ist; und daß wir hier den Beweis dafür haben, und zwar den unwiderlegbarsten Beweis, denn selbst das ärmste Opfer kann nichts anderes tun als festzustellen, daß die Macht des Henkers selbst bei seinem schlimmsten Tun immer nur die eines Menschen sein kann: die Mordmacht. Er kann zwar einen Menschen töten, aber er kann ihn nicht in etwas anderes verwandeln.”

Hans Jonas heeft na deze oorlog vol verschrikkingen een poging ondernomen om na te denken over God. Hoe belangrijk en urgent deze vraag ook is, ik zal ze in het kader van deze tekst niet behandelen omdat ze veel te ver voert. Ellie Wiesel noemt Auschwitz in een documentaire op Tv een donkere planeet. En wat is het antwoord van de mens daarop? Gebed, geweld, zelfmoord? Zijn romans laten allen zien dat dit geen antwoorden zijn. Hij verwijst naar dagboeken van leden van het Sonderkomando die de lijken moesten verbranden en de plannen van de nazi’s om dit tot uitvoer te brengen. De afstand tussen deze teksten is immens, net zoals de afstand zoals Antelme die schetst tussen uitvoerders van de moord en hun slachtoffers. Wiesel stelt dat slachtoffer zijn al erg genoeg is en als je daarbij ook nog alleen bent, is dat nog veel erger. Daarom kiest hij voor betrokken deelname aan de getuigenissen over die tijd om op de ruïnes van de menselijke geschiedenis iets nieuws proberen op te bouwen. Voor hem is de herinnering en het vasthouden aan de hoop essentieel. Wiesel: “ik definieer me alleen in relatie tot een ander, niet tot mezelf”. Antelme besluit, bijna op het einde van zijn verhaal gekomen, met het woordje ‘onvoorstelbaar’: “Unvorstellbar, das ist ein Wort, das sich nicht teilen lässt, das nicht einschränkt. Es ist das bequemste Wort. Läuft man mit diesem Wort als Schutzschild umher, diesem Wort der Leere, wird der Schritt sicherer, fester, fängt sich das Gewissen wieder.”

Met dit woord zijn we aanbeland op de bodem van ons verhaal, een leegte die zowel in relatie tot het goddelijke als in relatie tot het absolute kwaad aanwezig is. Beiden zijn niet meer te vatten en niet meer uit te beelden. Wat ik tot nu toe gedaan heb met het aanhalen van deze voorbeelden uit de Tweede Wereldoorlog is de ervaring van het goddelijke in de mens vanuit een totaal ander perspectief belichten, namelijk vanuit de situatie van het volslagen ontbreken ervan. We kunnen nu de retourbeweging maken, vanaf de bodem van dit gegeven terug omhoog. Dit voorkomt dat we al te snel vervallen in eine “Himmelhoch jauchende Stimmung” waarbij het “zum Tode betrübt” buiten zicht blijft.

Als het lichaam aan de basis staat van elke ervaring moet ook de mystieke ervaring zijn grondslag hierin hebben. Teresia van Avila heeft dat al een beetje laten zien in haar documenten. Ook bij andere mystici en schrijvers keert het lichaam voortdurend terug. Jehudah Halevi laat zijn hele lichaam God prijzen. Misschien is het feit dat wij eens verbonden zijn geweest aan het lichaam van de moeder via de navelstreng ook van betekenis voor onze beeldspraak over en onze “ervaring” van kosmische verbondenheid of het oceanische gevoel (een begrip van Romain Rolland) . Wie weet hoe deze ervaring zich in het emotionele geheugen heeft vastgezet. Misschien vormt ze wel de bron voor alle verdere gevoelens en ervaringen van verbondenheid. Ik kan dat natuurlijk niet echt beoordelen omdat de middelen ontbreken om dit te onderzoeken. Maar we kunnen bijvoorbeeld wel vragen stellen of er een af- en aanwezigheid van het transcendente is in ons lichaam. Is er een goddelijke evidentie die met ons lichaam kan worden ervaren? Hoe evident is deze ervaring dan? “Eines zu sein mit allem, das ist Leben der Gottheit, das ist der Himmel des Menschen” dicht Hölderlin.

Deze dichterlijke woorden zijn mooi geformuleerd maar ze brengen ons niet echt verder op onze zoektocht. Ik vermoed dat de relatie mens-God in het geval van de mystieke ervaring eerder een zaak is van binnen tegenover buiten dan van beneden tegenover boven, dus eerder van doorleefde ervaring tegenover uiterlijke werkelijkheid dan aarde tegenover hemel. Boven en beneden, hemel en aarde zijn naast ruimtelijke categorieën ook metaforen voor een wereld boven en een wereld beneden, een rijk van God en een rijk van de mensen. Beiden hoeven elkaar niet uit te sluiten maar de mystieke ervaring verwoord in teksten is eerder een vorm van hermeneuse van een beleving dan de beschrijving van een objectief controleerbare werkelijkheid die het bewijs van de aanwezigheid van het goddelijke kan leveren.

Voor het lichaam is het rechtop staan en lopen een verticale houding: met de voeten op de aarde, met het hoofd in de “wolken”. Rechtop staan doen we ook voor God in de Joodse traditie. Knielen en buigen drukt ontzag uit. Slapen is een verticale houding, een verbinding met de aarde, een overgave aan de plaats zoals Levinas stelde, een daad van vertrouwen. De slaap is ook de situatie waarin de werkelijkheid van de droom aandacht opeist. Waarschijnlijk hebben we op de inhoud dromen in het algemeen (buiten het lucide dromen) net zo min vat als op de inspiratie die in ons opwelt en die ons woorden doet formuleren en beelden doet verschijnen.

Maar woorden die wij mensen voor God en het goddelijke gebruiken geven altijd blijk ervan dat God menselijke eigenschappen worden toegeschreven. We kunnen niet buiten het veld van de taal treden. Mozes Maimonides noemt deze begrippen ook wel Homoniemen, woorden met een gelijkluidende klank maar andere betekenis. God spreekt, God slaat, handelt etc. Maimonides hierover: “As man’s distinction consists in a property  which no other creature on earth possesses, viz., intellectual perception, in the exercise of which he does not employ his senses, nor move his hand or his foot, this perception has been compared – though only apparantly, not in truth – to the Divine perception, which requires no corporeal organ. On this account, i.e., on account of the Divine intellect with which man has been endowed, he is said to have been made in the form and likeness of the Almighty, but far from it be the notion that the Supreme Being is corporeal, having a material form.”

Het zijn dus allemaal begrippen en eigenschappen ontleend aan het menselijk lichaam en de menselijke werkelijkheid. Weer een bewijs voor het feit dat zelfs onze lichamelijke constitutie bepalend is voor de omgang met het goddelijke want we “projecteren” zo onze menselijke eigenschappen op God. Ons religieus bewustzijn zou je dus in feite een afgeleide van ons lichamelijk bewustzijn in deze wereld kunnen noemen.

In de film “The Passion of the Christ” wordt dit tekort aangevoeld en wordt omgekeerd het lijden in de vorm van lichamelijke pijn aangedikt en exclusief in beeld gebracht om te laten zien dat de Zoon van God echt mens is geworden, tegen de aanspraak van alle ontkenners en twijfelaars in. Precies hierin wordt het bewijs geleverd dat het goddelijke in de mens niet zonder de aanname kan dat God in Jezus mens is geworden, namelijk een echt vleselijke gestalte heeft aangenomen die kan lijden en wel gruwelijk onder alle martelingen. Een aanname die, ook al is ze verpakt als geloofswaarheid, noodzakelijk is om deze film te kunnen begrijpen. Het vlees moet lijden en dat zullen we zien ook. Maar elke verwijzing naar de goddelijke werkelijk achter of boven dit gebeuren blijft een filmisch trucje, een slechte persiflage, ook als het de gestalte van het kwaad in de wereld betreft die al dit lijden heeft veroorzaakt. Een film heeft dus net zo weinig bewijskracht als het geschreven en gesproken woord ten aanzien van de aanwezigheid van het goddelijke.

Dit is een excerpt uit tekst met noten: http://wereld-zelfbeeld-lichaam.canandanann.nl