tuin

Afbeelding

Tuin

“Gardens expand our thinking. At times of crisis they console, school us in emotional generosity, and show us that life goes on.”

 

Damon Young

Bron:

http://www.aeonmagazine.com/oceanic-feeling/damon-young-wisdom-gardens/?utm_source=feedburner&utm_medium=feed&utm_campaign=Feed%3A+AeonMagazineEssays+%28Aeon+Magazine+Essays%29

De tuin als leerschool, de tuin als metafoor voor het leven, in poëzie komt dat veelvuldig terug. Islamitische dichters hebben eeuwenlang gedichten gemaakt over rozen in de rozentuin. Liefde, geboorte en dood vinden er plaats, het leven vloeit, vliedt weg, en ontstaat opnieuw. Het relativeert de eigen eindigheid en de problemen van alledag. Tenminste als je ervoor open staat, als je durft je open te stellen voor de processen in de natuur die zich voor je ogen in de tuin afspelen. En als je geen tuin hebt kun je gaan wandelen in de natuur, door de bossen, langs het strand, op de velden. Of je laat je door de woorden van dichters inspireren zoals dit gedicht van Pessoa:

Wanneer de lente komt

 

Wanneer de lente komt,

En als ik dan al dood ben,

Zullen de bloemen net zo bloeien

En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.

De werkelijkheid heeft mij niet nodig.

Ik voel een enorme vreugde

Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is.

Als ik wist dat ik morgen zou sterven

En het was overmorgen lente,

Zou ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was.

Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd ?

Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zo als het moet zijn;

Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield.

Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden,

Want alles is werkelijk en alles is zo als het moet zijn.

Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil.

Indien men wil, mag men rondom dansen en zingen.

Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben.

Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal zijn dat wat het is.

Fernando Pessoa

Dit besef van continuïteit, dat het leven doorgaat, dat jij zelf als deel van dat grote geheel langzaam vervaagt, wordt uitgegumd, kan een moment van genade zijn. Van doorbreken van inzicht dat je ondanks je eindigheid deel uitmaakt van een groter geheel dat je kan dragen en dat je in feite ook draagt. Alleen anders misschien dan je in je kortstondige en krampachtige wijze van denken zou willen: namelijk meer duur, meer duurzaamheid, meer richting eeuwigheid. Net als “Lust will tiefe tiefe Ewigkeit” zoals Goethe dichtte, zo wil de vlam van de ratio niet uitgedoofd worden. Lichamelijk als je bent en hoe je jezelf manifesteert in dit lichaam voel je de levenskracht, voel je de energie die door je heen stroomt en je moet er misschien niet aan denken dat dit eens anders kan zijn. Je wilt er niet aan denken dat je levenslust misschien omslaat in walging, in afkeer, in genoeg is genoeg. Maar toch kan dat gebeuren omdat je gewoonweg niet het eeuwige leven hebt en omdat je lichaam slechts beperkt houdbaar is. Hou ouder hoe zwakker, hoe minder energie. Het lichaam laat je in de steek. Het houdt er mee op. En hoe sterk je wil ook is, hoe vurig de ziel in je brandt, het verval is onontkoombaar.

En als je ouder wordt, als je wereld langzaam kleiner wordt om je heen verlies je misschien vanzelf je interesse. Dan maakt het niet meer zoveel uit wie er nou weer de verkiezingen heeft gewonnen want het zal je tijd wel duren. Je hebt er al zo velen meegemaakt en de wereld is er nog niet echt beter op geworden. En hoe meer je jezelf terugtrekt hoe minder je meemaakt. Je wereld wordt tenslotte heel klein als je habitat het ziekenhuisbed wordt.

En je ziet ze rennen en hollen, de mensen bij je bed, de bezoekers, je familie, je vrienden, je kinderen, je kleinkinderen. Nooit is er tijd, het gaat maar door. En jij ligt hier maar, te wachten, wetend dat het niet meer hoeft, dat je eigenlijk niet meer wil.

Maar dat valt moeilijk te communiceren. De mensen om je heen willen dat eigenlijk liever niet horen want dan moeten ze gaan nadenken over een afscheid, dan moeten ze verdriet en pijn toelaten die bij het onvermijdelijke horen: de dood.

In de tuin zie je het gebeuren: een versnelde opname van het leven, de overgangen, transities van leven naar dood en van ontkiemen naar groei, bloei en langzaam afsterven. In een seizoen gaat een leven van een eenjarige plant aan je voorbij. Zo is ook het jouwe, alleen er is je wat meer tijd gegeven en de cyclus heeft een ietwat ander verloop. Natuurlijk je bent geen plant, je bent geen boom, je staat niet vast. Je kunt bewegen, verhuizen, verkassen. Een plant moet maar zien waar hij /zij wordt uitgezaaid en waar groei mogelijk is. Maar ze doet het wel op de plek waar ze staat. Ze past zich aan en waait met alle winden mee. Wij, de vrijen, vinden het maar vaak moeilijk om te wortelen. Want stel dat je dan je vrijheid verliest? Maar ook dat is een illusie: een leven lang heen en weer trekken is geen teken van vrijheid maar van onrust. Een leven lang reizen wil zeggen, niet echt thuiskomen, niet echt bij jezelf komen. Tenslotte maken wij allen dezelfde reis, de laatste, weg uit dit leven. De dichter Jiménez verwoordt het prachtig. Een tekst om van te houden, net als van de tuin in al zijn gedaanten.

 

DE ALLERLAATSTE REIS.

 

En ik zal gaan.

En de vogels zullen blijven en zingen;

en blijven zal mijn tuin, met zijn groene boom

en zijn witte bron.

 

Elke avond zal de hemel blauw en vredig zijn.

en luiden zullen, net als vanavond,

de klokken van de kerktoren.

 

Sterven zullen zij die van mij hielden;

en het dorp wordt elk jaar weer nieuw;

en in elke hoek van mijn tuin met witte bloesems

zal mijn geest dronken van heimwee ronddwalen…

 

En ik zal gaan; en ik zal alleen zijn, zonder thuis,

zonder groene boom, zonder witte bron,

zonder blauwe en vredige hemel…

en de vogels zullen blijven en zingen.

 

El viaje definitivo

 

Y yo me iré. Y se quedarán los pájaros

Cantando ;

Y se quedará mi huerto, con su verde árbol,

Y con su pozo blanco.

 

Todas las tardes, el cielo-será azul y plácido ;

Y tocarán, como esta tarde están tocando,

Las campanas del campanario.

 

Se morirán aquellos que me amaron;

Y el pueblo se hará nuevo cada año ;

Y en el rincón aquel de mi huerto florido y encalado,

Mi espíritu errará, nostáljico…

 

Y yo me iré; y estaré solo, sin hogar, sin árbol

Verder, sin pozo blanco,

Sin cilo azul y plácido…

Y se quedarán los pájaros cantando.

J.R. Jiménez

John Hacking

14 juni 2013

Openbaring

Afbeelding

DE VRAAG NAAR OPENBARING

Sinds mijn kandidaatsscriptie (1979) over het begrip Openbaring in Der Stern der Erlösung van de Joodse schrijver Franz Rosenzweig heeft mij dit thema niet meer losgelaten. Pas vele jaren kom je er achter dat deze vraag hoe Openbaring plaats kon vinden in onze werkelijkheid en wat dit dan betekent maatgevend is geworden voor mijn theologiseren. Op de achtergrond van al mijn denken heeft deze vraag een beslissende rol gespeeld en dat doet ze nog steeds. Wat is Openbaring? Ik schrijf het begrip met een hoofdletter omdat in het begrip de relatie ter sprake komt van God en de mens. Openbaring veronderstelt dat God contact legt met de mens. Het initiatief ligt bij God. Uit de bijbel en uit andere religieuze geschriften blijkt uit verhalen hoe dat in zijn werk zou kunnen zijn gegaan. Het zijn prozaïsche vertellingen waarop vanuit een atheïstisch standpunt nogal wat valt af te dingen. Wat dan ook geregeld gebeurt.

Ik noem het vertellingen, verhalen die betekenissen samenvatten, samenballen. Deze betekenissen hebben een gelaagdheid die met het aanwijzen van tegenspraken in de tekst of met verwijzingen naar onze eigen werkelijkheid niet zijn opgelost of weggeredeneerd. Een atheïstische aanval op het zogenaamde waarheidsgehalte van deze verhalen zegt nog helemaal niets over de betekenis van deze verhalen met betrekking tot het feit van de Openbaring. Het zegt enkel dat de toehoorder deze betekenis niet pikt omdat hij niet in God gelooft. Het verhaal echter staat als een huis: als verhaal. Maar is het ook meer dan dat? Kunnen wij uit deze verhalen, deze vertellingen conclusies trekken over het bestaan van God en zijn relatie met de mens? Rosenzweig doet dat wel in zijn Stern der Erlösung. Hij stelt dat Openbaring geen afgesloten hoofdstuk is in de geschiedenis van de mens maar dat zij nog voortdurend plaatsvindt. Zijn argument daarvoor is een persoonlijke ervaring, op micro-niveau dus. Zijn bekeringservaring, zijn ervaring dat hij thuis hoort in het Jodendom, zijn thuiskomst als het ware, beschrijft hij in woorden van een liefdesaanbod van de kant van God. Hij heeft deze ervaring gehad en noemt haar Openbaring. Via de liefde, het aanbod van liefde van de kant van God komt Openbaring in het leven van een mens. Deze individuele ervaring is niet uniek voor Rosenzweig, auteurs uit de mystieke traditie uit de verschillende godsdiensten leggen er getuigenis van af. Maar de waarheid van dergelijke gebeurtenissen met het oog op een conclusie ten aanzien van het bestaan van God is moeilijk te bevestigen omdat het zeer individuele ervaringen blijven. We moeten het doen met hun getuigenis. In die zin zijn de bijbelse verhalen ook een vorm van getuigenis, gestileerd, dat wel, maar eronder zit een vorm van getuigenis. Onze religies, onze geloofswijzen zijn gebouwd op deze getuigenissen. Zonder deze, zonder het offer om er zelfs voor te worden vervolgd of ervoor te sterven, zouden ze nooit die aantrekkingskracht hebben kunnen krijgen zoals ze nu hebben op mensen.

god in het landschap en in het lichaam

In mijn sabbatical (2005 en 2010) heb ik de vraag naar Openbaring op een eigentijdse en zeer persoonlijke wijze te gesteld. Vindt Openbaring nog plaats in het heden? Die vraag heb ik verkend vanuit de kunst: God in het landschap. Wat zeggen en schilderen landschapschilders als zij geconfronteerd worden met een vorm van sacraliteit in het landschap? Is hier werkelijk sprake van Openbaring of leggen die kunstenaars dat in hun werk als een vorm van getuigenis dat net zo werkt als het getuigenis in een verhaal? Ik vermoed het laatste, maar dat doet niets af aan het feit dat deze aanwezigheid van het goddelijke in het landschap ervaren wordt door de kunstenaar. Alleen de stelligheid van een bijbelse auteur ontbreekt meestal. Het gaat veel eerder om een zoektocht die beschreven wordt in deze getuige- nissen van kunstenaars. Op een website heb ik deze verkenning in de kunst en het verslag ervan in een essay gepubliceerd: http://landscape.canandanann.nl.

In de tweede periode heb ik mij geconcentreerd op het lichaam van de mens, God in het lichaam, vanuit de vraag hoe het mogelijk is dat wij aan het lichaam bijzondere kwaliteiten toedichten (God is zelfs menselijk geworden in Jezus van Nazareth) en toch als mensen er vaak zo achteloos ermee omspringen. Miljoenen zijn vermoord en gekweld in de menselijke geschiedenis. Het is pregnant dat er een grote ambivalentie bestaat ten aanzien van het menselijk lichaam. Vanuit grenservaringen van oorlog en marteling heb ik de effecten onderzocht en de oorzaken van dit handelen. Het verabsoluteren van het eigen lichaam en de daaraan gekoppelde vorm van almacht hangen samen met het zonder pardon onderdrukken en vermoorden van anderen die niet hieraan voldoen. Naast een opgehemeld zelfbeeld is er sprake van een vijand-beeld. Samen vormen zij een soort van wereldbeeld dat de mens als lichaam geen recht doet omdat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de goeden en de kwaden. Met alle gevolgen van dien. De geschiedenis leert ons nog dagelijks de wrange uitkomst hiervan. Deze tekst, ook weer in de vorm van een essay is te vinden op de website: http://wereld-zelfbeeld-lichaam.canandanann.nl

Deze ambivalente houding ten aanzien van het lichaam komt in een bijzonder licht te staan als je bedenkt dat het christendom een Messias vereert die gruwelijk werd vermoord. God neemt de gestalte aan van een mens, maar deze mens gaat ten onder, wordt gedood en volgens de overlevering is hij opgestaan uit de dood. Maar het lichaam is er dan niet meer zoals wij dat kennen als levenden. Voor het lichaam is de dood het absolute eindpunt. Het christendom leert echter dat de lichamelijke dood niet het einde is. Staan blijft dat een goede omgang met dit lichaam niet vanzelfsprekend gegarandeerd is vanuit het christendom als religie – zeker niet als de volgelingen moedwillig hun lichamelijke existentie in de waag- schaal stellen om hun gelijk te halen. De vraag hieronder luidt: wil God zich zo openbaren, is er geen andere weg dan via kruisdood, marteling en zelfopoffering? In Tenach wordt over God gesproken terwijl hij zich openbaart in of doormiddel van natuurverschijnselen, wonderen (redding door de zee) en door zijn geboden. Deze geboden dienen als richtingwijzer op weg naar het beloofde land en later door het leven. In de evangelies verwijst Jezus van Nazareth voortdurend naar deze weg volgens de geboden en is zijn leven in die zin richting wijzend. Uiteindelijk kost hem dat de kop. De duiding daarna luidt vaak dat het zo heeft moeten zijn, dat God zich zo in onze menselijke geschiedenis op een nieuwe wijze openbaart. Niet voor niets noemt Paulus dat dwaasheid in de ogen van de heidenen, een teken dat afkeer, afschuw, afkeuring oproept bij de mensen in die tijd. En toch onderschrijft hij het ook als een belofte voor ons allen dat de lichamelijke dood niet het laatste woord heeft.

Hiermee zitten wij eigenlijk in een nieuw discours, een denken dat verondersteld wordt: namelijk het lichaam is van tijdelijke aard, het lichaam is drager van een onsterfelijke ziel, het lichaam is voorlopig. Komt Openbaring er hierop neer dat wij dat leren ervaren in ons leven, dat wij weten en kennen dat ons lichaam slechts voorspel, slechts begin is van een nieuwe, een andere fase? Hebben we dus een onsterfelijke ziel, door God in ons lichaam gehuisvest? Net zomin als voor God hebben we hiervan geen bewijs. Maar het blijft wel een intrigerende vraag.

In mijn teksten over het landschap en het lichaam spelen een aantal begrippen een belangrijke rol. Het zijn sleutelbegrippen die ik in de teksten gebruik om mijn verhaal te structureren. In God in het landschap is het de tegenstelling op de achtergrond van de menselijke autonomie versus de heteronomie. Onze autonomie als subject krijgt in de loop van de geschiedenis van de filosofie een steeds prominentere plaats toegewezen. Daardoor is de ervaring van heteronomie zoals die tot uitdrukking komt in overweldigende natuurervaringen (bronnen van inspiratie en basis voor de landschapschilder) soms weggedrukt. De mens kwam minder in contact met de natuur tijdens het leven in een uitdijende stad. De Romantiek zou je daarom ook een poging mogen noemen om terug te keren naar dit gevoel en deze ervaring van heteronomie die door het landschap bemiddeld wordt. Kunst zou je sinds het ontstaan van het museum als een vorm van toegang kunnen beschouwen tot een niet meer alledaagse werkelijkheid. Kunst, het museum, het atelier werden zo plekken waar een andere wereld werd getoond en verbeeld, een heterotopie, letterlijk een andere plaats, anders dan de vertrouwde thuissituatie. Fantasielandschappen uit de Romantiek leggen daar getuigenis van af. Ik heb een aantal kunstenaars bestudeerd met behulp van deze bril waarin het begrip heterotopie in deze wijze opgevat centraal stond. Het begrip zelf heb ik ontleend aan een toespraak van Michel Foucault voor architecten waarin hij de ruimtelijke kenmerken van onze moderne tijd uiteenzette.

In God in het lichaam speelt het begrip heterotopie eveneens een belangrijke rol omdat de mens in zijn leven fasen doormaakt waarin hij telkens op andere plekken verkeert en daardoor gevormd wordt. Denk aan school, de kazerne, het schip. De mens is een relationeel wezen, gekleurd door zijn relaties, gekleurd door de heterotopiën waarin hij zich bevindt of bevonden heeft. Maar om aan het feit van de eigen lichamelijkheid, het innemen van de ruimte als lichaam, en het besef dat je zelf een lichaam hebt en een lichaam bent (een vorm van zelfbewustzijn) recht te doen heb ik het begrip auto-topie bedacht. Het lichaam is voor de mens een ruimte, een auto-topie waarin het zelf als het ware woont, huist, zich bevindt. Heterotopie en auto-topie vormen samen het begrippenpaar dat in deze tekst centraal staat. Een zelf dat in een lichaam woont ondergaat de effecten van de plaatsen en relaties waarin het zich bevindt. Het lichaam als zelf-plaats, auto-topie, draagt hiervan de sporen. Een erg extreme vorm van heterotopie die veel sporen nalaat is het concentratiekamp. Een andere de folterkelder. Deze grenservaringen leiden ertoe dat de vragen rond lichaam, zelf, en bewustzijn en hun onderlinge samenhang en verwoording in een wereldbeeld extra scherpte krijgen. Ook religieuze ervaringen krijgen er een andere kleur door omdat het gaat om existentiële diepgaande ervaringen die hun sporen ook religieus nalaten. Wat is opstanding uit de dood als je deze hoop afzet tegenover de miljoenen die uit de schoorstenen van Auschwitz verdwenen, of de miljoenen die in Rusland of China tijdens zuiveringen werden afgeslacht. Waarover spreken we dan?

Veel vragen die in mijn teksten worden gesteld hebben geen antwoord gekregen omdat ze te veelomvattend zijn en te moeilijk. Maar het is wel goed om hen te stellen, omdat zo wordt voorkomen dat naïeve opvattingen de overhand krijgen in de verwoording van het religieuze denken. Naast het spoor van de tekst die deze vragen opwerpt heb ik een parallelspoor getrokken met poëzie omdat ik van mening ben dat de werkelijkheid ook poëtische kwaliteit (dwz waarheid) bevat. Poëzie heeft de kracht om op een geheel eigen wijze vragen te stellen en wegen te wijzen. Vandaar dat elk hoofdstuk een gedicht aan begin en einde staat vermeld dat verwijst naar de inhoud van het besprokene, maar dan op een geheel eigen wijze.

god in de kosmos

De begrippen autonomie en heteronomie, auto-topie en heterotopie geven dus de structuur aan waarbinnen het begrip Openbaring een plek kan krijgen om geduid te worden. Maar Michel Foucault kent het begrip heterotopie nog een betekenis toe: wij mensen zijn namelijk deel van netwerken en dit deel hebben aan die netwerken, er deel van uitmaken heeft betekenis. De mens is een soort van knooppunt waardoor heen relaties gestalte krijgen en die dit zelf als knooppunt bepalen. Ik noem dat voor het gemak autonodus, de mens is een zelf-knoop. Daar tegenover of verbonden mee zijn er anderen die knooppunt zijn in het netwerk, heteronodus. Voor het zelf zijn die anderen referentiepunt en contactpunt, samen zijn ze onderdeel van een groter geheel. Denken vanuit het niveau van netwerken sluit aan bij de huidige ontwikkelingen op het gebied van sociale media en computertechniek, op het niveau van nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen en het globale karakter van onze wereld. Alles is met alles en iedereen verbonden. Dat maakt meteen de vraag zichtbaar die met betrekking tot Openbaring kan worden gesteld: waar bevindt zich God in dit netwerk, en groter in deze kosmos? Als wij vanuit de wetenschap steeds meer kunnen doordringen in de allerkleinste bouwstenen van ons heelal en zo kunnen terug redeneren naar het eerste begin, en als wij omgekeerd meer en meer in staat zijn ook de macrosferen te bestuderen, wat betekent dat dan voor de vraag naar God en zijn Openbaring? Daarom start ik nu met een onderzoek om deze vraag te verkennen met speciale aandacht voor de rol van het menselijk lichaam als plaats van ontwikkeling. Waarom ook het lichaam erbij betrokken? Omdat de evolutie niet is blijven staan in het jaar 0. De mens ontwikkelt zich ook lichamelijk verder en via wetenschap en techniek komen er nieuwe vergezichten in beeld waar we niet van hebben durven dromen. Als het menselijk lichaam gekoppeld zal worden aan informatiesystemen en aan machines staan ons heel nieuwe vormen van menselijk bestaan te wachten. Zover is het nog niet, maar het zit er wel aan te komen. Is er een God ook voor cyborgs? We zullen zien.

John Hacking (2012)

gepubliceerd in

En Toch,  Jaargang 34, no. 1, mei 2013

Afbeelding

Reiking naar de Overkant: poëzie van G.vd.Graft

blauw 008

Noem het gebeden

Il se tait en son amour

Sefanja 3,17

 

Er sneeuwt een eeuwige stilte.

Gij zijt niet te beschreeuwen, geen

tongval bereikt uw overzij.

 

Vergeef mij, alles in allen,

dat ik nog lang niet leeg genoeg

ben voor uw stilte. Ik wemel

van dood, een hiernamaals ben ik

van velen. Hoe gij dan liefhebt

ontgaat mij. Een gat in de dag

zwijgt gij, nacht in het holst van het licht.

Ik lig er in bedolven.

 

Ik spreek tegen u, ik noem u,

al ken ik u niet van nabij,

alleen maar van horen zeggen,

alleen maar van horen zwijgen,

ik spreek u tegen binnensmonds,

ik noem u namens mijn lichaam,

laat ons niet vochtig van aarde, o

vaardig naar ons af een ochtend.

 

Vertilt zich de stilte, verslikt

zich de tijd, stort het gat in? Ik

weet niets meer, ik ben alles kwijt.

zal ik ooit zien wat geschreven

Staat, zal ik horen wat gij verzwijgt?

Ik geboren voor de stilte

Wil te vondeling gaan voorgoed.

Zul je mij woordelijk verstaan?

 

Laatste der noem het gebeden:

maak het verleden ongeldig,

Stel de toekomst in gebreke,

breng het verstrooide weer bijeen:

afgeleefd haardvuur vlamvattend,

as die zich hergroepeert, puin dat

Een huis bouwt. En dan twee humane

omtrekken van voltooide pijn.

 

1999 kabalah

 

Onbereikbaar nabij

 

They are all gone into the world of light

Henry Vaughan

O dark, dark dark. They all go into the dark

T.S.Eliot

 

O verduisterd gelaat

aan de andere oever,

 

hoever, hoever

van mij vandaan?

 

Vlakbij, te ver om te gaan.

 

 

Ze woont in de stilte, ze schrijft mij

brieven van vroeger, dan vraag ik

Hoe gaat het. Goed, antwoordt zij

in de lang verleden tijd.

 

Als een kind dat een poos

slaapt en dan wordt gewekt

 

en verder slaapt in de arm

van moeders droefenis,

 

dat is de hoe de liefde is

warm en meedogenloos.

 

 

Die mijn kinderen droeg tot aan

de drempel van het licht, die mijn

 

hand vroeg om over het grote

duister heen mij te redden, waar

 

was ik, je blijft naar mij uitzien,
voorgoed onbereikbaar nabij.

 

G. van der Graft

aarde

Licht verspreiden

 

 

Licht verspreiden

Uitgedaagd door de theoloog Erik Borgman kwamen de studentenpastores donderdag 22 november j.l.  bijeen op een studiedag om daar na te denken over de vraag “Wat is het goud dat wij in handen hebben door ons werk als studentenpastor?” Borgman had die vraag al eens eerder gesteld op een conferentie in het voorjaar. Hij is van mening dat ons werk als studentenpastor kansen en mogelijkheden biedt die anderen niet hebben omdat wij werken met jonge mensen. Ervaringen die wij in ons werk opdoen kunnen we ook inzetten om onze stem te laten horen in het maatschappelijk debat waar de kerken momenteel veelal afwezig zijn. De generatie die nu wordt klaargestoomd voor de toekomst heeft een boodschap, ze heeft iets te melden ook voor de professionals die vanuit kerk en universiteit zijn aangesteld om deze groep te begeleiden in de vorm van het studentenpastoraat.  En deze professionals kunnen hun ervaringen met jongeren weer terugkoppelen naar hun eigen (kerkelijke) achterban. Het nadenken over deze vraag kreeg in de middagsessie een creatief vervolg. Een groep ging aan de slag met het schrijven van een tekst, de andere groep werd uitgenodigd eerst aan elkaar te vertellen wat hij of zij de laatste tijd had meegemaakt in relatie tot ervaringen met een gouden randje om vervolgens met  pastelkrijt dit verhaal uit te beelden.

Dat bracht mij ertoe te vertellen over het pelgrimsweekend van de week daarvoor. Met zes vrouwelijke studenten ging ik op weg naar Kevelaer, een oud en bekend pelgrimsoord in Duitsland waar vooral Maria centraal staat. We gingen op zaterdag met de bus naar Wellerslooi om vandaar ongeveer 12 km te lopen naar onze bestemming. De dag daarna zouden we via een andere route weer teruglopen richting Bergen. Nadenkend over het goud in onze handen als studentenpastor kwam ik tot het volgende beeld:  een van de studenten was zichtbaar geraakt toen zij een kaars had opgestoken buiten tegen de muur van de Kaarsenkerk. Daar branden altijd veel kaarsen en de muur is zwartgeblakerd van al dat roet. De dag daarna vroeg ik haar wat het met haar had gedaan. Zij vertelde dat zij onder de indruk was van al die kaarsen en al die verlangens van de mensen die deze kaarsen hadden aangestoken. Daarmee maakte zij voor mij in één beeld zichtbaar hoe het goddelijk licht als het ware, metaforisch gesproken, hier onder ons verspreidt wordt. Ik zag het Rijk Gods een klein beetje groeien, zichtbaar gemaakt in het witte licht van de kaarsen. Wit dat ook terugkomt in de kleine Pieta boven aan de muur: de moeder der smarten die weent om haar zoon, met op de achtergrond de st-Jakob-schelp, symbool van de pelgrims. Dat heb ik uitgebeeld in een tekening: die verspreiding van licht, licht in een donkere wereld, een donkere nacht.

 

Voor mij is deze verbeelding een signaal, een teken met symbolische kracht: want ze verwijst naar de aanwezigheid van het sacrale, de aanwezigheid van het goddelijke hier in onze wereld. We zien het niet met onze ogen, het is geen empirisch feit, maar toch is het aanwezig, tastbaar, voelbaar in dit symbool, deze verwijzing. Het is een verbeelding van al het menselijk verlangen, het menselijke lijden, het menselijk streven. Het licht kan ons dragen, het licht kan ons verlichten omdat de bron ervan raakt aan het goddelijk licht dat in mij, in elk mens en in deze wereld, onze wereld, werkzaam is.  Zou dat niet zo zijn, dan zou er voor mijn gevoel niets anders overblijven dan een koud, levenloos en vijandig heelal. Is God daarmee veroordeeld tot een existentie op aarde en enkel en alleen voor de mensen? Daarover kan ik geen uitspraak doen- dat ga ik onderzoeken tijdens mijn volgende sabbatical dat zal gaan over ‘God in de Kosmos’. Dat is dan deel drie van het drieluik dat al bestaat uit ‘God in het landschap’ (http://sacraal-landschap.canandanann.nl) en ‘God in het lichaam’ (http://wereld-zelfbeeld-lichaam.canandanann.nl).

John Hacking

26 november 2012

 

philosophy of the body

Afbeelding

There is a need for an new philosophy of the body.

1. The body has long time be neglected in philosophy after and before Descartes

2. The Trans-humanist predict the end of the human body and the replacement of it by machines (computers)

3. The neglect of the human body (specially of others) has led to bloodshed and death (see World War One and Two – see the killing of the masses in China, Russia, Cambodia, Rwanda and so on…)

4. Our life is just lasting for a small time: so our bodily needs are too important to neglect

5. We are the body, our body is the only thing we are – and have

Afbeelding

John Hacking

John Hacking God in het lichaam – een essay