Het wezen van duurzaam

huub kortekaas - engel - museumpark orientalis

huub kortekaas – engel – museumpark orientalis

‘De Mens als Zaailing’

Symposium rond Quantum Art, het levenswerk van kunstenaars Huub & Adelheid Kortekaas

In de afgelopen decennia realiseerde het kunstenaarsduo projecten die wereldwijd aandacht trokken en die op verschillende plekken over de wereld werden getoond: The Unifying Spiritual Field of the World * Anima Mundi * en The Spiritual Garden, onderdeel van wat zij zelf noemen:  Quantum-Art projecten. Daarmee willen zij een verband leggen tussen de ontwikkelingen in de kwantumfysica en de kunst. In 2012 verscheen hun ‘Manifest Utopia – Het Leven als Kunstwerk’ – geïnspireerd op de visie dat elk mens beschouwd kan worden als een unieke ‘Zaailing’, uitgezaaid om uit te groeien in deze wereld en zo tot volle wasdom te komen.

meer info: http://duurzaamvanbinnen.wordpress.com\

De volledige uitnodiging en het programma vindt u hier: Hortus Arcadië – Nijmegen 20 juni 2013

Symposium200613Hortus_DuoKortekaas

films met toelichting op hun werk: http://youtu.be/8SQgKSLiuCY en  http://youtu.be/zE9RnNLU8zw

Openbaring

Afbeelding

DE VRAAG NAAR OPENBARING

Sinds mijn kandidaatsscriptie (1979) over het begrip Openbaring in Der Stern der Erlösung van de Joodse schrijver Franz Rosenzweig heeft mij dit thema niet meer losgelaten. Pas vele jaren kom je er achter dat deze vraag hoe Openbaring plaats kon vinden in onze werkelijkheid en wat dit dan betekent maatgevend is geworden voor mijn theologiseren. Op de achtergrond van al mijn denken heeft deze vraag een beslissende rol gespeeld en dat doet ze nog steeds. Wat is Openbaring? Ik schrijf het begrip met een hoofdletter omdat in het begrip de relatie ter sprake komt van God en de mens. Openbaring veronderstelt dat God contact legt met de mens. Het initiatief ligt bij God. Uit de bijbel en uit andere religieuze geschriften blijkt uit verhalen hoe dat in zijn werk zou kunnen zijn gegaan. Het zijn prozaïsche vertellingen waarop vanuit een atheïstisch standpunt nogal wat valt af te dingen. Wat dan ook geregeld gebeurt.

Ik noem het vertellingen, verhalen die betekenissen samenvatten, samenballen. Deze betekenissen hebben een gelaagdheid die met het aanwijzen van tegenspraken in de tekst of met verwijzingen naar onze eigen werkelijkheid niet zijn opgelost of weggeredeneerd. Een atheïstische aanval op het zogenaamde waarheidsgehalte van deze verhalen zegt nog helemaal niets over de betekenis van deze verhalen met betrekking tot het feit van de Openbaring. Het zegt enkel dat de toehoorder deze betekenis niet pikt omdat hij niet in God gelooft. Het verhaal echter staat als een huis: als verhaal. Maar is het ook meer dan dat? Kunnen wij uit deze verhalen, deze vertellingen conclusies trekken over het bestaan van God en zijn relatie met de mens? Rosenzweig doet dat wel in zijn Stern der Erlösung. Hij stelt dat Openbaring geen afgesloten hoofdstuk is in de geschiedenis van de mens maar dat zij nog voortdurend plaatsvindt. Zijn argument daarvoor is een persoonlijke ervaring, op micro-niveau dus. Zijn bekeringservaring, zijn ervaring dat hij thuis hoort in het Jodendom, zijn thuiskomst als het ware, beschrijft hij in woorden van een liefdesaanbod van de kant van God. Hij heeft deze ervaring gehad en noemt haar Openbaring. Via de liefde, het aanbod van liefde van de kant van God komt Openbaring in het leven van een mens. Deze individuele ervaring is niet uniek voor Rosenzweig, auteurs uit de mystieke traditie uit de verschillende godsdiensten leggen er getuigenis van af. Maar de waarheid van dergelijke gebeurtenissen met het oog op een conclusie ten aanzien van het bestaan van God is moeilijk te bevestigen omdat het zeer individuele ervaringen blijven. We moeten het doen met hun getuigenis. In die zin zijn de bijbelse verhalen ook een vorm van getuigenis, gestileerd, dat wel, maar eronder zit een vorm van getuigenis. Onze religies, onze geloofswijzen zijn gebouwd op deze getuigenissen. Zonder deze, zonder het offer om er zelfs voor te worden vervolgd of ervoor te sterven, zouden ze nooit die aantrekkingskracht hebben kunnen krijgen zoals ze nu hebben op mensen.

god in het landschap en in het lichaam

In mijn sabbatical (2005 en 2010) heb ik de vraag naar Openbaring op een eigentijdse en zeer persoonlijke wijze te gesteld. Vindt Openbaring nog plaats in het heden? Die vraag heb ik verkend vanuit de kunst: God in het landschap. Wat zeggen en schilderen landschapschilders als zij geconfronteerd worden met een vorm van sacraliteit in het landschap? Is hier werkelijk sprake van Openbaring of leggen die kunstenaars dat in hun werk als een vorm van getuigenis dat net zo werkt als het getuigenis in een verhaal? Ik vermoed het laatste, maar dat doet niets af aan het feit dat deze aanwezigheid van het goddelijke in het landschap ervaren wordt door de kunstenaar. Alleen de stelligheid van een bijbelse auteur ontbreekt meestal. Het gaat veel eerder om een zoektocht die beschreven wordt in deze getuige- nissen van kunstenaars. Op een website heb ik deze verkenning in de kunst en het verslag ervan in een essay gepubliceerd: http://landscape.canandanann.nl.

In de tweede periode heb ik mij geconcentreerd op het lichaam van de mens, God in het lichaam, vanuit de vraag hoe het mogelijk is dat wij aan het lichaam bijzondere kwaliteiten toedichten (God is zelfs menselijk geworden in Jezus van Nazareth) en toch als mensen er vaak zo achteloos ermee omspringen. Miljoenen zijn vermoord en gekweld in de menselijke geschiedenis. Het is pregnant dat er een grote ambivalentie bestaat ten aanzien van het menselijk lichaam. Vanuit grenservaringen van oorlog en marteling heb ik de effecten onderzocht en de oorzaken van dit handelen. Het verabsoluteren van het eigen lichaam en de daaraan gekoppelde vorm van almacht hangen samen met het zonder pardon onderdrukken en vermoorden van anderen die niet hieraan voldoen. Naast een opgehemeld zelfbeeld is er sprake van een vijand-beeld. Samen vormen zij een soort van wereldbeeld dat de mens als lichaam geen recht doet omdat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de goeden en de kwaden. Met alle gevolgen van dien. De geschiedenis leert ons nog dagelijks de wrange uitkomst hiervan. Deze tekst, ook weer in de vorm van een essay is te vinden op de website: http://wereld-zelfbeeld-lichaam.canandanann.nl

Deze ambivalente houding ten aanzien van het lichaam komt in een bijzonder licht te staan als je bedenkt dat het christendom een Messias vereert die gruwelijk werd vermoord. God neemt de gestalte aan van een mens, maar deze mens gaat ten onder, wordt gedood en volgens de overlevering is hij opgestaan uit de dood. Maar het lichaam is er dan niet meer zoals wij dat kennen als levenden. Voor het lichaam is de dood het absolute eindpunt. Het christendom leert echter dat de lichamelijke dood niet het einde is. Staan blijft dat een goede omgang met dit lichaam niet vanzelfsprekend gegarandeerd is vanuit het christendom als religie – zeker niet als de volgelingen moedwillig hun lichamelijke existentie in de waag- schaal stellen om hun gelijk te halen. De vraag hieronder luidt: wil God zich zo openbaren, is er geen andere weg dan via kruisdood, marteling en zelfopoffering? In Tenach wordt over God gesproken terwijl hij zich openbaart in of doormiddel van natuurverschijnselen, wonderen (redding door de zee) en door zijn geboden. Deze geboden dienen als richtingwijzer op weg naar het beloofde land en later door het leven. In de evangelies verwijst Jezus van Nazareth voortdurend naar deze weg volgens de geboden en is zijn leven in die zin richting wijzend. Uiteindelijk kost hem dat de kop. De duiding daarna luidt vaak dat het zo heeft moeten zijn, dat God zich zo in onze menselijke geschiedenis op een nieuwe wijze openbaart. Niet voor niets noemt Paulus dat dwaasheid in de ogen van de heidenen, een teken dat afkeer, afschuw, afkeuring oproept bij de mensen in die tijd. En toch onderschrijft hij het ook als een belofte voor ons allen dat de lichamelijke dood niet het laatste woord heeft.

Hiermee zitten wij eigenlijk in een nieuw discours, een denken dat verondersteld wordt: namelijk het lichaam is van tijdelijke aard, het lichaam is drager van een onsterfelijke ziel, het lichaam is voorlopig. Komt Openbaring er hierop neer dat wij dat leren ervaren in ons leven, dat wij weten en kennen dat ons lichaam slechts voorspel, slechts begin is van een nieuwe, een andere fase? Hebben we dus een onsterfelijke ziel, door God in ons lichaam gehuisvest? Net zomin als voor God hebben we hiervan geen bewijs. Maar het blijft wel een intrigerende vraag.

In mijn teksten over het landschap en het lichaam spelen een aantal begrippen een belangrijke rol. Het zijn sleutelbegrippen die ik in de teksten gebruik om mijn verhaal te structureren. In God in het landschap is het de tegenstelling op de achtergrond van de menselijke autonomie versus de heteronomie. Onze autonomie als subject krijgt in de loop van de geschiedenis van de filosofie een steeds prominentere plaats toegewezen. Daardoor is de ervaring van heteronomie zoals die tot uitdrukking komt in overweldigende natuurervaringen (bronnen van inspiratie en basis voor de landschapschilder) soms weggedrukt. De mens kwam minder in contact met de natuur tijdens het leven in een uitdijende stad. De Romantiek zou je daarom ook een poging mogen noemen om terug te keren naar dit gevoel en deze ervaring van heteronomie die door het landschap bemiddeld wordt. Kunst zou je sinds het ontstaan van het museum als een vorm van toegang kunnen beschouwen tot een niet meer alledaagse werkelijkheid. Kunst, het museum, het atelier werden zo plekken waar een andere wereld werd getoond en verbeeld, een heterotopie, letterlijk een andere plaats, anders dan de vertrouwde thuissituatie. Fantasielandschappen uit de Romantiek leggen daar getuigenis van af. Ik heb een aantal kunstenaars bestudeerd met behulp van deze bril waarin het begrip heterotopie in deze wijze opgevat centraal stond. Het begrip zelf heb ik ontleend aan een toespraak van Michel Foucault voor architecten waarin hij de ruimtelijke kenmerken van onze moderne tijd uiteenzette.

In God in het lichaam speelt het begrip heterotopie eveneens een belangrijke rol omdat de mens in zijn leven fasen doormaakt waarin hij telkens op andere plekken verkeert en daardoor gevormd wordt. Denk aan school, de kazerne, het schip. De mens is een relationeel wezen, gekleurd door zijn relaties, gekleurd door de heterotopiën waarin hij zich bevindt of bevonden heeft. Maar om aan het feit van de eigen lichamelijkheid, het innemen van de ruimte als lichaam, en het besef dat je zelf een lichaam hebt en een lichaam bent (een vorm van zelfbewustzijn) recht te doen heb ik het begrip auto-topie bedacht. Het lichaam is voor de mens een ruimte, een auto-topie waarin het zelf als het ware woont, huist, zich bevindt. Heterotopie en auto-topie vormen samen het begrippenpaar dat in deze tekst centraal staat. Een zelf dat in een lichaam woont ondergaat de effecten van de plaatsen en relaties waarin het zich bevindt. Het lichaam als zelf-plaats, auto-topie, draagt hiervan de sporen. Een erg extreme vorm van heterotopie die veel sporen nalaat is het concentratiekamp. Een andere de folterkelder. Deze grenservaringen leiden ertoe dat de vragen rond lichaam, zelf, en bewustzijn en hun onderlinge samenhang en verwoording in een wereldbeeld extra scherpte krijgen. Ook religieuze ervaringen krijgen er een andere kleur door omdat het gaat om existentiële diepgaande ervaringen die hun sporen ook religieus nalaten. Wat is opstanding uit de dood als je deze hoop afzet tegenover de miljoenen die uit de schoorstenen van Auschwitz verdwenen, of de miljoenen die in Rusland of China tijdens zuiveringen werden afgeslacht. Waarover spreken we dan?

Veel vragen die in mijn teksten worden gesteld hebben geen antwoord gekregen omdat ze te veelomvattend zijn en te moeilijk. Maar het is wel goed om hen te stellen, omdat zo wordt voorkomen dat naïeve opvattingen de overhand krijgen in de verwoording van het religieuze denken. Naast het spoor van de tekst die deze vragen opwerpt heb ik een parallelspoor getrokken met poëzie omdat ik van mening ben dat de werkelijkheid ook poëtische kwaliteit (dwz waarheid) bevat. Poëzie heeft de kracht om op een geheel eigen wijze vragen te stellen en wegen te wijzen. Vandaar dat elk hoofdstuk een gedicht aan begin en einde staat vermeld dat verwijst naar de inhoud van het besprokene, maar dan op een geheel eigen wijze.

god in de kosmos

De begrippen autonomie en heteronomie, auto-topie en heterotopie geven dus de structuur aan waarbinnen het begrip Openbaring een plek kan krijgen om geduid te worden. Maar Michel Foucault kent het begrip heterotopie nog een betekenis toe: wij mensen zijn namelijk deel van netwerken en dit deel hebben aan die netwerken, er deel van uitmaken heeft betekenis. De mens is een soort van knooppunt waardoor heen relaties gestalte krijgen en die dit zelf als knooppunt bepalen. Ik noem dat voor het gemak autonodus, de mens is een zelf-knoop. Daar tegenover of verbonden mee zijn er anderen die knooppunt zijn in het netwerk, heteronodus. Voor het zelf zijn die anderen referentiepunt en contactpunt, samen zijn ze onderdeel van een groter geheel. Denken vanuit het niveau van netwerken sluit aan bij de huidige ontwikkelingen op het gebied van sociale media en computertechniek, op het niveau van nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen en het globale karakter van onze wereld. Alles is met alles en iedereen verbonden. Dat maakt meteen de vraag zichtbaar die met betrekking tot Openbaring kan worden gesteld: waar bevindt zich God in dit netwerk, en groter in deze kosmos? Als wij vanuit de wetenschap steeds meer kunnen doordringen in de allerkleinste bouwstenen van ons heelal en zo kunnen terug redeneren naar het eerste begin, en als wij omgekeerd meer en meer in staat zijn ook de macrosferen te bestuderen, wat betekent dat dan voor de vraag naar God en zijn Openbaring? Daarom start ik nu met een onderzoek om deze vraag te verkennen met speciale aandacht voor de rol van het menselijk lichaam als plaats van ontwikkeling. Waarom ook het lichaam erbij betrokken? Omdat de evolutie niet is blijven staan in het jaar 0. De mens ontwikkelt zich ook lichamelijk verder en via wetenschap en techniek komen er nieuwe vergezichten in beeld waar we niet van hebben durven dromen. Als het menselijk lichaam gekoppeld zal worden aan informatiesystemen en aan machines staan ons heel nieuwe vormen van menselijk bestaan te wachten. Zover is het nog niet, maar het zit er wel aan te komen. Is er een God ook voor cyborgs? We zullen zien.

John Hacking (2012)

gepubliceerd in

En Toch,  Jaargang 34, no. 1, mei 2013

Afbeelding

(Religieus) fanatisme tegenover ‘doen alsof’

(Religieus) fanatisme tegenover ‘doen alsof’

 

Ook buiten de religie en de godsdienst zijn er ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ of ‘standvastigen die van geen uitzonderingen’ willen weten. In het gedrag van mensen die geen fouten willen maken, die kost wat kost ‘fouten maken’ willen voorkomen schuilt een zeker fanatisme. Zij mogen van zichzelf geen fouten maken en zij zijn voor zichzelf de strengste criticaster. En al behalen zij goede prestaties, is de omgeving enthousiast, voor hen is het vaak onvoldoende, zijn ze ontevreden. Maar wanneer is het dan wel goed, zou je denken. Wanneer is de toezichthouder die het ego ook kan, zijn echt tevreden? En, nog belangrijker, wat moet met deze prestaties worden gecompenseerd? Waarom zo hoog reiken als de lat ook lager kan komen te liggen?

 

Hier verschuilt zich volgens mij een deel van het echte vraagstuk: waarom zo hard werken? Wat wil je ermee bereiken? Welke vorm van erkenning, aandacht en sympathie?  Waarom ook zo hard voor jezelf als je van mening bent dat je de hooggestelde doelen niet dreigt te halen omdat ze gewoon te ver weg liggen?  Wat moet er worden bewezen?  Wat gebeurt er als je er wel in slaagt om je doelen te halen? Dan maar weer nieuwe doelen, nog verder weg? Nog ambitieuzer, nog meer inzet van jezelf gevraagd. Het is een heilloze en uiteindelijk ziekmakende weg. Het echte vraagstuk is dat je denkt te moeten leven volgens bepaalde normen en waarde met bepaalde ambities en doelen – dan pas kun je echt gelukkig zijn, of gelukkig worden, dan pas is je leven zoals het behoort te zijn. ‘Behoren’ staat voorop, ‘behoren’ gaat telkens aan ‘zijn’ vooraf. Het leven is als het ware veranderd in een heilig moeten.

Ik vind dat eveneens een vorm van wensen, een wens dat het paradijs als het ware al aanbreekt in je leven: alleen je moet er hard voor werken, het valt niet uit de lucht, niet zomaar in je schoot.  Je moet er een flinke prijs voor betalen. En die prijs heet inzet, werken en nog eens werken. Maar als je het volhoudt, als je naar behoren presteert wordt jouw persoonlijk paradijsje eenmaal waar.

Waar haal je in deze strijd de motivatie vandaan, waarom houd je het vol, hoe houd je het vol? Er moet een bepaalde vorm van ‘drive’ zijn waardoor je het vol kunt houden en waardoor je bezig blijft. Je moet overtuigd zijn van je gelijk en van jouw visie op je inzet en je resultaten. Alles wat anderen zeggen en zeker relativerende geluiden worden gesmoord in de eigen overtuiging van het eigen gelijk. “Klets maar, ik weet het toch beter, mijn weg is de enige juiste.” Hier openbaart zich niet alleen fanatisme, maar ook een zeker religieus fanatisme. Het is een manier van zich bewijzen die over alle grenzen heen gaat. Ook over de eigen grenzen, de waarschuwingen negerend dat je op de verkeerde weg, op een ongezonde weg aan het wandelen bent. Een klinklaar recept voor een burn-out. Alle talenten worden ingezet, het werk stapelt zich op, de relativering ontbreekt en je loopt vast in de zelf uitgezette route. Je doel wordt uiteindelijk niet gehaald en gefrustreerd en lusteloos zit je op de bank, de interesse in alles lijkt en voelt als verloren. Sim bezig zo? Ik denk van niet. Het beloofde paradijs aan de horizon is een hel geworden in je onmiddellijke  omgeving. Zo ben je ingehaald door je eigen ambities en je eigen kortzichtigheid. Je hebt je vastgelopen in de strik van de vogelvanger, de fuik van de visser, die je zelf hebt uitgezet met je ambities en je ‘moeten’ en ‘behoren’.

 

Anselm Grün spreekt in een tekst over positief denken over geloven en handelen als ‘doen alsof’. Doen alsof is een manier van relativerend handelen. Je doet alsof je al een bepaald doel hebt bereikt, terwijl je weet dat het niet zo is, je doet alsof je je stinkende best doet, maar je weet, dat je ook maar een mens bent, dat je ook je gebreken hebt. Maar door dit doen alsof kom je wel in beweging en zal het resultaat van je handelen je over de streep trekken. Mozes moest zelf de eerste  stap in het water zetten de van de zee bij de Uittocht uit het slavenland Egypte. Pas toen hij vertrouwen toonde in de belofte dat ze gered zouden worden ging de zee uit elkaar en konden ze er door heen. Zonder die stap geen teken, geen redding, geen bevrijding. Een stap in het blinde, het onbekende, het maar erop wagen? Welke keuze heb je anders? Als je wordt aangespoord, of als je jezelf aanspoort om een doel te halen, om woorden uit de schrift in je te laten resoneren zodat je er naar kunt leren leven en handelen is dit ‘doen alsof ’ een methode die kan helpen.

 

Grün zelf zegt hierover, ik citeer: “Bij deze methode hoort het geloof als ‘doen alsof’ het waagstuk om ook te handelen naar het woord. De handeling is het experiment, dat de juistheid van de geloofshypothese bewijst. Wij willen de bewijzen vaak voor het experiment van ons handelen in handen hebben. Wij willen in onszelf voelen dat we genezen zijn, dat de Heer met ons is, dat we een nieuwe schepping zijn. Wij willen de Geest van God in ons ervaren en pas na die ervaring handelen. Maar met deze instelling belemmeren wij voor onszelf de genezing. We houden angstig vast aan onszelf. Wij willen ons door het Woord van God zelf verlossen en zelf genezen en pas als we gezond zijn, als mensen zonder tekortkomingen, bij de anderen op de voorgrond treden. Maar dat is uiteindelijk ongeloof. Wij geloven alleen wat we voelen, wat we ervaren. En op die manier blokkeren wij voor onszelf nieuwe ervaringen, op die manier blokkeren we voor onszelf de eigenlijke godservaring. De ervaring van het geloof heb je pas als je springt voordat je het hebt ervaren, als je doet alsof het klopt voordat je dit met zekerheid weet. Geloof heeft ervaringen nodig. Anders zal het in ons verbleken. Maar de ervaring krijg je pas bij het experiment van het doen.”

 

Maar hoe nu zo te doen dat het doen niet alle aandacht opeist en dat daarin geen relativering meer is? Hoe te voorkomen dat je afbrandt door maar te doen? Hoe te voorkomen dat je gefixeerd raakt op het doen en niet meer in de gaten hebt dat het doen ergens toe moet leiden? Kortom hoe voorkom je dat de doelen te hoog worden gesteld waardoor je je eigen beperkingen uit het oog verliest en denkt dat je ze wel ‘even’ kunt gaan halen? Hybris: “ik kan dat, kijk eens hoe goed ik ben, heb eerbied voor mijn prestaties, vervul mij met jullie achting voor mij,” dat kan niet de bedoeling zijn. Fanatisme, religieus fanatisme dat zelfgekozen of opgelegde doelen hoger stelt dan persoonlijk welzijn en het welzijn van anderen, dat denkt pas gelukkig te kunnen zijn als… en als… en als… heeft het ‘doen alsof’ als daad van geloof en van vertrouwen niet begrepen. Doen alsof wil zeggen, handelen in de geest van het woord, dat je oproept, dat je opwekt, dat je over je grenzen van je eigenwaan, je eigen onmacht en je eigen beperktheden heen wil tillen. ‘In de geest van’ wil ook zeggen, niet exact hetzelfde, het hoeft geen precieze kopie te zijn, niet een al te letterlijke invulling. Ook hier schuilt zich een adder onder het gras: denken dat het proces volgens bepaalde patronen en vastgelegde banen moet verlopen. Doelen kunnen op vele manieren worden bereikt en vaak is de snelste weg de omweg naar het doel. Soms moet je heel iets anders ondernemen om te ontdekken dat je oorspronkelijke intuïtie en inspiratie toch de juiste en de meest adequate waren in je leven. In Australië ontdekken dat je hart ligt in Nederland in die kleine plaats waar je bent opgegroeid bijvoorbeeld.

 

 

 

Grün stelt dat inbeeldingen een grote rol spelen in ons leven. Negatief werkt dat zo als we denken het paradijs hier en nu te moeten bewerkstelligen. Als het niet lukt zitten we in zak en as. Grün zegt, ik citeer: “Wij leven dus voortdurend van inbeeldingen. De vraag is of wij willen leven volgens inbeeldingen die de werkelijkheid voor ons veranderen of volgens inbeeldingen die de werkelijkheid voor ons duiden zoals ze is.

De inbeelding van het geloof omsluit de realiteit voor ons zoals zij werkelijk is, zoals zij gezien vanuit God is. Wanneer wij leven volgens de inbeeldingen van het geloof, dan leven we in overeenstemming met de realiteit en zodoende gezond. Je kunt je daarom ook niet zomaar alles inbeelden. Uit de realiteit blijkt of een inbeelding klopt of niet. De werkelijkheid is echter nooit volledig ondubbelzinnig. Ze heeft altijd meerdere kanten. Door de afkeurende gedachte ga je de werkelijkheid zien door een negatieve bril. Wat je ziet, is werkelijk.

Maar het is slechts een fragment, een negatieve selectie. Wanneer je de werkelijkheid ziet door de bril van het geloof, dan zie je haar in haar volle rijkdom. Je ziet haar vanuit God en daarom goed.”

 

Grün stelt echter ook dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is wat het geloof betreft. Hij zegt: “Je kunt je echter ook in het geloof iets aanpraten wat niet klopt of wat je niet dichter bij God brengt. Er bestaan ook fanatieke bemoedigende gedachten die gebruik maken van bijbelwoorden. Paulus geeft een criterium aan waarmee je kunt zien of het een zelfbedacht positief woord is of een positief woord vanuit het geloof: het is het criterium van vreugde en liefde, van geduld en  zachtmoedigheid, van vrede, goedheid, vriendelijkheid en geloof (vgl. Gal. 5:22v.). En voor monniken is het hoofdkenmerk van echt geloof dat je niet oordeelt, maar gelooft dat ieder mens een goede kern heeft. Wanneer je door je bevestigende innerlijke zinnen fanatiek en bekrompen wordt, op anderen scheldt en anderen veroordeelt, dan is dat altijd een teken dat jij je niet hebt opengesteld voor het Woord van God, maar dat je met je woorden de werkelijkheid naar jouw hand wilt zetten, zelfs wanneer je woorden uit de Bijbel gebruikt.”

 

Zo kun je ook naar jezelf kijken en ontdekken wat je streven en handelen, wat je ‘moeten en behoren’ je uiteindelijk echt opleveren. Word je er blijer van, sta je elke ochtend met plezier op en krijg je er energie van, of ben je al moe voordat de dag goed en wel begonnen is omdat je zoveel van jezelf moet. Als dat laatste het geval is weet je zeker dat je op de verkeerde weg bezig bent, en dat de route geen gezonde levensweg is. Geloven, vertrouwen en ernaar handelen, en door dat handelen stukje bij beetje ontdekken waar het werkelijk om draait, ervaren dat de lat niet elke dag hoog hoeft te liggen, en als hij wel hoog ligt, dat je graag de prijs wilt betalen, (dat kost ook minder energie), het is een manier van leven die ruimte biedt en ruimte geeft. Het leven is geen gevangenis van moeten en plichten meer, maar van mogen. Uitproberen, vallen en opstaan, leren van je fouten, nieuwe kansen, nieuwe energie, nieuwe wegen inslaan, en de moed erin houden, stukje bij beetje ervaren dat je op de goede weg zit, het kan allemaal. Dan liggen er ook geen depressies op de loer als het een keer flink tegenzit. ‘Doen alsof’ is dus heel wat anders dan jezelf wat wijs maken. Voortdurend de lat te hoog leggen is echt een vorm van zelfbedrog. De prijs is te hoog.

 

Anselm Grün benadrukt dat ook de schrift niet oproept tot onmogelijke dingen. Je fanatisme wordt niet gevraagd. Wel je inzet om de hoop die in je leeft handen en voeten te geven. 

 

Hij schrijft en daarmee sluit ik af: “De opvatting dat het geloof een soort ‘doen alsof’ is, sluit wel degelijk aan bij de Heilige Schrift, bijvoorbeeld bij de Brief aan de Hebreeën, die het geloof definieert als ‘de grondslag voor alles waarop we hopen’ (Heb. 11:1). Je hebt het niet, je merkt het niet, maar het vormt toch je grondslag, je handelt ernaar in de hoop dat het klopt. Wanneer wij het geloof zo opvatten, dan bevrijdt het ons van de prestatiedruk, alsof wij in het geloof steeds iets moeten voelen en ervaren. Geloof moet zeker worden ervaren. Maar in onze tijd wordt soms zo over geloofservaringen gesproken dat alle mensen die daarvan niets in zichzelf bespeuren, een slecht geweten krijgen en gaan denken dat ze nu eenmaal niet op de juiste manier geloven. Er bestaat een dwang om iets te moeten ervaren, alle mensen die niets ervaren, krijgen daardoor een gevoel van minderwaardigheid.

Geloof als ‘doen alsof’ bevrijdt ons van deze druk. We hoeven niet per se iets te voelen. We kunnen toch uit ons geloof leven, we kunnen simpelweg proberen te leven alsof het klopt. Door te handelen kunnen we dan voelen dat het klopt. Maar we hoeven het niet te voelen. Het kan best zijn dat je ook bij wat je vanuit je geloof doet, niet altijd voelt wat het geloof tot uiting brengt. Je leeft dan een tijdlang ‘alsof’, in de hoop dat het leven de juistheid van je handelen bewijst en het je ook weer laat voelen.”

 

Geciteerd uit: Anselm Grün, Op andere gedachten. Positief leren denken, Kampen 2005 (ten Have) p. 77-89

 Afbeelding

 

geleend van Anselm Grün voor deze vastentijd!

Afbeelding

Anselm Grün, Op andere gedachten. Positief leren denken, Kampen 2005 (Ten Have)

Doordat de kluizenaars iedere dag dezelfde woorden tegen zichzelf zeggen, werken zij aan hun innerlijke verandering. Het woord dat een ieder kiest, past precies bij hem. Dit woord is voor hem de weg naar God. Daarom is het belangrijk om het woord te ontdekken dat jou de  weg opent naar het leven, dat jou transparant maakt voor God. Welk woord bij jou past, kun je niet theoretisch vaststellen. Wanneer een bepaald woord jon fascineert, jou direct raakt, dan is dat een teken dat het jou enige tijd of zelfs een leven lang zal begeleiden, dat het jouw oefenwoord kan worden. P. 36

Wanneer je ‘s morgens opstaat uit je bed, open dan direct je mond om God te loven en begin liederen en psalmen te zingen. Want het eerste waar je geest ’s morgens mee bezig gaat, is duurzaam, mals een molensteen de hele dag door maalt wat hem wordt voorgezet, of het nu tarwe is of onkruid. Wees daarom altijd de eerste om er tarwe in te gooien, voordat jouw vijand er onkruid in kan werpen.

De eerste gedachten die je bij het opstaan hebt, beïnvloeden jou de hele dag. Daarom is het zo belangrijk eraan te wennen om ‘s morgens op te staan met positieve gedachten, met een gebed. Het brengt je direct in een goede stemming. Wanneer je je er daarentegen aan ergert dat je alweer moet opstaan, wanneer je chagrijnig wordt omdat het weer slecht is of wanneer je vol wrevel denkt aan de moeilijke bespreking die jou vandaag te wachten staat, dan ben je gedurende de hele dag in een slechte stemming. De negatieve gedachten beroven je van je energie, je gaat daardoor de dag met een donkere bril bekijken.

De vaderspreuken maken ons duidelijk dat wij de positieve gedachten moeten verbinden met zeer specifieke handelingen van die dag. Wanneer we ons  voornemen om overdag vaker te denken aan God of te mediteren over een zin uit de bijbel, dan heeft dit plan weinig kans van slagen. Wanneer wij echter een  bijbelspreuk of een gebed verbinden met een handeling die we toch al verrichten, dan kost het ons geen energie om een dergelijk voornemen vol te houden. We koppelen het aan de handeling die we toch wel zullen verrichten.

En zodra we iets doen, komt de zin uit de bijbel in onze gedachten. Dat vergt echter enige oefening. Maar algauw wordt het een routine en hoef je niet steeds weer opnieuw je wil in te schakelen. Zodra het een gewoonte is geworden, kost het geen energie meer. P. 36-37

Plannen die we maken, dienen vaak als uitvlucht om niets te hoeven veranderen aan ons leven. Wij nemen het ons weliswaar voor om te werken aan onszelf, om een stap naar voren te doen. Maar in werkelijkheid blijven we stilstaan. De voornemens sussen ons geweten, maar ze brengen niets teweeg. Een medebroeder zei dat plannen het beste middel zijn om ons te beletten iets in ons leven op gang te brengen. Want een voornemen snelt jou altijd vooruit, het richt zich op de toekomst en kan het heden niet aan. Je vlucht voor de uitdaging van het huidige ogenblik en je richt je op een toekomst die vrijblijvend is. In plaats van veel plannen te maken moeten we ons trainen in heel eenvoudige dingen. En daarvoor zijn juist bevestigende/positieve woorden geschikt. Het is de kunst van het geestelijke leven om de kleine dingen van het leven van alledag te gebruiken als een middel om in de tegenwoordigheid van God te komen. Daardoor kunnen wij iets op gang brengen in onszelf.

We moeten ons eerlijk afvragen: willen wij werkelijk iets veranderen in ons leven, willen we werkelijk ons leven helemaal in de nabijheid van God en voor God en met God leven of willen wij liever doorgaan als tot dusver en onze voornemens gebruiken als een voorwendsel om stil te blijven staan? Wanneer we werkelijk dichter bij God willen komen, dan bestaan daar ook methoden voor. Wij moeten een programma opstellen hoe we met kleine stapjes de Geest van Jezus kunnen aanleren, een bescheiden programma dat ook te realiseren is. Wanneer wij maar iets van wat we iedere dag doen, gebruiken als middel om in de tegenwoordigheid van God te komen, dan is er daardoor al iets essentieels veranderd in ons leven.

In een andere vaderspreuk wordt aangeraden om iedere avond aan je dood te denken en je af te vragen: ‘Zal ik morgen wel weer wakker worden?’ Je moet biddend inslapen. ‘Want een monnik worstelt ’s nachts met dezelfde gedachten als overdag, of ze nu goed zijn of slecht. Want wanneer je slaapt, komen alle dingen op een punt samen.’ Net zo belangrijk als het ochtendgebed is het avondgebed, het inslapen met positieve gedachten. De positieve gedachten zullen doorwerken in je slaap. De gedachten waarmee wij inslapen, bepalen mede onze dromen. Omdat monniken weet hebben van de werking van het onbewuste gedurende de nacht, waarschuwen ze ervoor om met woedende gedachten in te slapen.

Ze zeggen dat woede de ziel kan opvreten en vernietigen, dat woede de ziel in verwarring brengt door nachtmerries. In ieder geval zul je onder slechte condities wakker worden wanneer je je woede ’s avonds niet hebt losgelaten maar bewust mee hebt genomen in je slaap. Je moet daarom een gezonde stijl aanleren om je dag te besluiten. Ook daarbij kan een eenvoudig kruisteken genoeg zijn, om je in je slaap over te geven aan God. Nog beter is het om een ogenblik terug te kijken op de dag die achter je ligt, en deze dag over te geven aan God, bijvoorbeeld met het psalmvers: ‘In uw hand leg ik mijn leven’ (Ps. 31:6).

Abba Diolcos zegt in een vaderspreuk: Wanneer er gedachten komen in het hart van een broeder, kan hij ze in geen geval uit zijn hart verdrijven wanneer hij er geen woorden uit de Schrift of van de oudvaders bijhaalt. Wanneer de Heer het huis betreedt, dan verdwijnen de vreemdelingen die er zijn.’ Negatieve gedachten verdwijnen wanneer je ze vervangt door positieve woorden. Onze geest kan niet tegelijk aan verschillende dingen denken, hij kan niet gelijktijdig verschillende zinnen tegen zichzelf zeggen. Wanneer hij positieve zinnen tegen zichzelf zegt, dan stappen de negatieve zinnen. Diolcos is ervan overtuigd dat de zinnen uit de Schrift dichter bij ons hart zijn dan de woorden die wij op andere momenten vaak regen onszelf zeggen. Ze zijn in overeenstemming met ons hart, het zijn woorden van de Heer, die het hart ook heeft geschapen en weer wat goed is voor het hart. p. 38-40

(…) Deze vaderspreuk laat op fraaie wijze zien hoe een monnik zichzelf bij iedere beproeving overwint. Hij wordt beproefd door middel van verleidende gedachten. Ze sporen hem aan om te eten of te drinken. Bemoedigingen uit het Woord van God daarentegen geven hem de kracht om te vasten en waakzaam te zijn. Daarbij is in je kloostercel blijven de externe voorwaarde om het gevecht met je gedachten aan te gaan. De gedachten worden niet verdrongen. Je dwingt ze veeleer zich werkelijk te manifesteren door iedere uiterlijke afleiding en iedere vluchtweg uit te sluiten. Je verdraagt het nietsdoen en de stilte, om in jezelf eerst eens de gedachten te onderkennen waardoor je wordt bepaald.

Dikwijls leven wij vanuit gedachten en stelregels zonder het te weten. De uitspraken ontrollen zich automatisch in ons hoofd of in ons hart, zonder dat we dit merken. Door te zwijgen ontdekken wij deze uitspraken en dan worden we er pas mee geconfronteerd. Wij komen de gedachten op het spoor waardoor wij worden bepaald, wanneer we niets te doen hebben. Als antimiddel tegen deze gedachten en uitspraken moeten wij er volgens deze vaderspreuk woorden uit de Schrift tegenoverstellen en zodoende de beproevingen doorstaan. Wat in deze vaderspreuk wordt beschreven, werd door Evagrius verder ontwikkeld in zijn ‘Antirrhetikon’.

Evagrius heeft voor iedere beproeving het geschikte woord uit de Schrift paraat. Daarbij citeert hij vooral psalmverzen en woorden uit het boek Spreuken. Het zou te ver voeren om de vele bijbelpassages uit het ‘Antirrhetikon’ hier op te sommen. Het gaat om de methode. Een ieder van ons zou de Heilige Schrift moeten doorzoeken op zulke woorden van genezing. Om het juiste woord van genezing voor jezelf te ontdekken kun je het beste eerst eens je eigen negatieve gedachten opschrijven. Wat zijn de belangrijkste uitspraken waarmee jij steeds weer op jezelf inpraat, waarmee jij onwillekeurig op bepaalde situaties reageert?

Tegen de achtergrond van deze uitspraken zou je dan het juiste antiwoord uit de Schrift kunnen vinden. Daarbij is het belangrijk om je te beperken tot enkele woorden en deze als het ware als leidmotief boven je leven te schrijven. Daarvoor zijn psalmverzen of gemakkelijk te onthouden spreekwoorden bijzonder geschikt.

We hebben immers gezien dat veel mensen onbewust zulke spreekwoorden gebruiken als bemoediging. Daaraan hebben spreekwoorden waarschijnlijk ook hun bestaan te danken, daarvoor zijn ze bedoeld: woorden die je steeds weer uitspreekt, woorden die je tegen jezelf zegt, woorden waarmee je de werkelijkheid interpreteert, begrijpt en op een positieve manier aankunt.

‘Proverbia’ heten ze in het Latijn, dus voorwoorden om te handelen, om op jezelf in te praten, woorden die bedoeld zijn om ‘je leven aan te kunnen’. In spreekwoorden zijn de ervaringen van vee! generaties op geconcentreerde wijze weergegeven. De waarheid die daarin tot uiting komt, kun je niet te pakken krijgen zonder de pregnante en vaak genoeg paradoxale formulering.

Gerhard von Rad herinnert aan het feit dat ‘het bezwerende woord bij deze gepresenteerde waarheden een eminente betekenis heeft: pas door de formulering ervan wordt de waarheid gefixeerd en gesanctioneerd.’ Daarom zijn juist spreekwoorden geschikt als bemoedigende woorden. Daarin spreek je ervaringen uit tegen jezelf die je helpen om je weg te vinden door de wirwar van het leven. De in spreekwoorden zo pregnant geformuleerde uitspraken ordenen de chaos van je eigen ervaringen. Ze zijn ‘als uitgezette zeebakens, waarop je je kunt oriënteren’. Herder zegt over spreekwoorden dat je niet eruit maar ermee moet leren. Door ze tegen jezelf te zeggen leer je je leven aan te kunnen.

Bij onze zoektocht naar woorden van genezing in de bijbel komt het er daarom op aan zinnen te vinden die zeer kernachtig geformuleerd zijn, die je gemakkelijk kunt onthouden en goed kunt declameren. Wanneer je de woorden van Jezus onderzoekt ten aanzien van dit aspect, dan ontdek je dat vee! uitspraken van Hem deze ‘bezwerende macht’ van spreekwoorden bezitten.

Evagrius gebruikt in zijn ‘Antirrhetikon’ het liefst uitspraken van Jezus die als spreekwoorden direct in je geheugen gegrift raken: ‘Niemand kan twee heren dienen [ ...] (Mt. 6:24, hebzucht 42), ‘Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen  [ ...] (Mt. 7:12, hebzucht 43), [ ...] laat de doden hun doden begraven’ (Mt. 8:22, acedia 43), [ ... ] wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden [...] (Lc. 14:11, trots 52). Niet voor niets zijn veel uitspraken van Jezus in de volksmond spreekwoordelijk geworden. Het bleken woorden te zijn waarmee je kunt leren en leven, en ze staan in ons geheugen gegrift als ervaringswijsheden.

Wanneer wij de Regel van de heilige Benedictus doorlezen, dan zullen we op bemoedigende woorden stuiten in alle hoofdstukken waarin hij de monniken vertrouwd wil maken met een bepaalde houding. Voor hem zijn de woorden van de Schrift het geschiktste middel om de houding van Jezus aan te leren. Wanneer een abt uitsluitend deze beide uitspraken van Jezus tegen zichzelf zegt: ‘Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt?’ (Mt. 7:3) en ‘Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden’ (Mt. 6:33), dan zal hij een goede abt worden, een abt die leeft vanuit de gezindheid van Jezus.

De uitspraken van Jezus als bemoedigende woorden zijn belangrijker voor het aanleren van de juiste houding dan een theoretische uiteenzetting over alles wat een abt in zichzelf zou moeten verwezenlijken. Op soortgelijke wijze noemt Benedictus bij de verschillende etappes van de geestelijke weg van de ootmoed uitspraken uit de bijbel die je telkens vertrouwd maken met de ervaringen die aansluiten bij deze stadia van ootmoed. Daarbij blijkt dat ook Benedictus het vaakst de drie soorten bijbelwoorden gebruikt die we al bij Evagrius hadden geconstateerd: psalmverzen, woorden uit het boek Spreuken en uitspraken van Jezus.

Met de eerste fase van de ootmoed, waarin je de tegenwoordigheid van God leert ervaren, maak jij je vertrouwd wanneer je deze beide psalmverzen declameert: ’[ ...] U die hart en nieren doorgrondt [ ...] (Ps. 7:10) en ‘[ ...] u doorziet van verre mijn gedachten’ (Ps. 139:2).

Het tweede stadium, het opgeven van je eigen wil, wordt jou duidelijk door de affirmatie: ‘want ik ben niet uit de hemel neergedaald om te doen wat ik wil, maar om te doen wat hij wil die mij gezonden heeft’ (Joh. 6:38). En zo gaat het verder. Ieder volgend stadium  van de ootmoed, iedere diepere ervaring van jezelf ten overstaan van God oefen je door een Schriftwoord te declameren, tot je uiteindelijk het twaalfde stadium bereikt. Hier is het Schriftwoord voldoende: ‘De tollenaar [ ...] durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten [ ... ] (Lc. 18: 13), om de houding te vinden die het meest overeenkom t met de gezindheid van Christus. Bij dit stadium van de ootmoed ervaar je je leven puur als geschenk, als genade. Je angst verdwijnt en je bespeurt in jezelf een liefde die je hart ruim maakt, je voelt je bevrijd van alle druk om bij God iets te moeten bewijzen, je voelt de vrijheid om bij God te mogen zijn zoals je bent.

Benedictus vat de Schriftwoorden  die als bemoedigingen functioneren, zo op dat je ze steeds weer declameert, dat je ‘s morgens al met een vers begint en het overdag vaak herhaalt. Een dergelijk woord wordt dan een basiswoord, waar je mee omgaat, waaruit je leeft. Je gebruikt het op momenten dat je mediteert, ’s morgens en ‘s avonds, wanneer je even niets te doen hebt. Je koppelt dit woord aan heel gewone bezigheden. Je zegt het bijvoorbeeld tegen jezelf wanneer je naar je werk toe gaat of van je werk vandaan komt, wanneer je je huis binnengaat, wanneer de klokken van de kerk in de buurt luiden of bij hele uren, zoals dat in ons klooster gebruikelijk is.

Deze periodes, respectievelijk ogenblikken, die steeds terugkeren, plan je bewust. Je verbindt ze automatisch met een woord, zodat je de zekerheid hebt dat dit woord je ten minste enkele keren per dag raakt. Deze bewuste manier van trainen leidt er dan toe dat je met een positief woord reageert op bepaalde situaties in je dagelijkse leven. De afkeurende gedachten draag je normaal gesproken ook niet de hele dag met je mee. Ze komen alleen in je op wanneer je in bepaalde situaties terechtkomt, wanneer je een fout maakt, wanneer je met een moeilijk stuk werk begint, wanneer je geïrriteerd raakt.

Wanneer jij je hebt getraind in bemoedigende woorden, dan zul je daarmee reageren op alles wat je meemaakt. Dan zul je jezelf bij een misser niet direct verwijten maken of tegen jezelf zeggen: ‘Ik ben een mislukkeling’, maar misschien komt dan het vers: ‘Leg uw last op de HEER en hij zal u steunen [ ... ] (Ps. 55:23) in je gedachten of ‘Voor ik vernederd werd, tastte ik mis, nu houd ik mij aan uw woord’ (Ps. 119:67).

Midden in onverwachtse situaties komt in je op wat je hebt aangeleerd. De een schrikt terug voor gecompliceerd werk, doordat hij tegen zichzelf zegt: ‘Dat kan ik niet’, de ander reageert instinctief met zijn spreekwoord ‘Men moet de dingen nemen zoals ze zijn’ of met een gebedsformule: ‘Heer, U kunt alles, help mij’ of met het psalmvers: ‘Met u storm ik af op een legerbende, met mijn God beklim ik de hoogste muur’ (Ps. 18:30). Bemoedigende woorden drukken hun stempel op jouw reacties op de  gebeurtenissen in je leven van alledag. Je kunt je dagelijkse leven nooit tot in elk detail plannen. P. 41-47

 

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Licht verspreiden

 

 

Licht verspreiden

Uitgedaagd door de theoloog Erik Borgman kwamen de studentenpastores donderdag 22 november j.l.  bijeen op een studiedag om daar na te denken over de vraag “Wat is het goud dat wij in handen hebben door ons werk als studentenpastor?” Borgman had die vraag al eens eerder gesteld op een conferentie in het voorjaar. Hij is van mening dat ons werk als studentenpastor kansen en mogelijkheden biedt die anderen niet hebben omdat wij werken met jonge mensen. Ervaringen die wij in ons werk opdoen kunnen we ook inzetten om onze stem te laten horen in het maatschappelijk debat waar de kerken momenteel veelal afwezig zijn. De generatie die nu wordt klaargestoomd voor de toekomst heeft een boodschap, ze heeft iets te melden ook voor de professionals die vanuit kerk en universiteit zijn aangesteld om deze groep te begeleiden in de vorm van het studentenpastoraat.  En deze professionals kunnen hun ervaringen met jongeren weer terugkoppelen naar hun eigen (kerkelijke) achterban. Het nadenken over deze vraag kreeg in de middagsessie een creatief vervolg. Een groep ging aan de slag met het schrijven van een tekst, de andere groep werd uitgenodigd eerst aan elkaar te vertellen wat hij of zij de laatste tijd had meegemaakt in relatie tot ervaringen met een gouden randje om vervolgens met  pastelkrijt dit verhaal uit te beelden.

Dat bracht mij ertoe te vertellen over het pelgrimsweekend van de week daarvoor. Met zes vrouwelijke studenten ging ik op weg naar Kevelaer, een oud en bekend pelgrimsoord in Duitsland waar vooral Maria centraal staat. We gingen op zaterdag met de bus naar Wellerslooi om vandaar ongeveer 12 km te lopen naar onze bestemming. De dag daarna zouden we via een andere route weer teruglopen richting Bergen. Nadenkend over het goud in onze handen als studentenpastor kwam ik tot het volgende beeld:  een van de studenten was zichtbaar geraakt toen zij een kaars had opgestoken buiten tegen de muur van de Kaarsenkerk. Daar branden altijd veel kaarsen en de muur is zwartgeblakerd van al dat roet. De dag daarna vroeg ik haar wat het met haar had gedaan. Zij vertelde dat zij onder de indruk was van al die kaarsen en al die verlangens van de mensen die deze kaarsen hadden aangestoken. Daarmee maakte zij voor mij in één beeld zichtbaar hoe het goddelijk licht als het ware, metaforisch gesproken, hier onder ons verspreidt wordt. Ik zag het Rijk Gods een klein beetje groeien, zichtbaar gemaakt in het witte licht van de kaarsen. Wit dat ook terugkomt in de kleine Pieta boven aan de muur: de moeder der smarten die weent om haar zoon, met op de achtergrond de st-Jakob-schelp, symbool van de pelgrims. Dat heb ik uitgebeeld in een tekening: die verspreiding van licht, licht in een donkere wereld, een donkere nacht.

 

Voor mij is deze verbeelding een signaal, een teken met symbolische kracht: want ze verwijst naar de aanwezigheid van het sacrale, de aanwezigheid van het goddelijke hier in onze wereld. We zien het niet met onze ogen, het is geen empirisch feit, maar toch is het aanwezig, tastbaar, voelbaar in dit symbool, deze verwijzing. Het is een verbeelding van al het menselijk verlangen, het menselijke lijden, het menselijk streven. Het licht kan ons dragen, het licht kan ons verlichten omdat de bron ervan raakt aan het goddelijk licht dat in mij, in elk mens en in deze wereld, onze wereld, werkzaam is.  Zou dat niet zo zijn, dan zou er voor mijn gevoel niets anders overblijven dan een koud, levenloos en vijandig heelal. Is God daarmee veroordeeld tot een existentie op aarde en enkel en alleen voor de mensen? Daarover kan ik geen uitspraak doen- dat ga ik onderzoeken tijdens mijn volgende sabbatical dat zal gaan over ‘God in de Kosmos’. Dat is dan deel drie van het drieluik dat al bestaat uit ‘God in het landschap’ (http://sacraal-landschap.canandanann.nl) en ‘God in het lichaam’ (http://wereld-zelfbeeld-lichaam.canandanann.nl).

John Hacking

26 november 2012

 

John Hacking

John Hacking God in het lichaam – een essay