Openbaring

Afbeelding

DE VRAAG NAAR OPENBARING

Sinds mijn kandidaatsscriptie (1979) over het begrip Openbaring in Der Stern der Erlösung van de Joodse schrijver Franz Rosenzweig heeft mij dit thema niet meer losgelaten. Pas vele jaren kom je er achter dat deze vraag hoe Openbaring plaats kon vinden in onze werkelijkheid en wat dit dan betekent maatgevend is geworden voor mijn theologiseren. Op de achtergrond van al mijn denken heeft deze vraag een beslissende rol gespeeld en dat doet ze nog steeds. Wat is Openbaring? Ik schrijf het begrip met een hoofdletter omdat in het begrip de relatie ter sprake komt van God en de mens. Openbaring veronderstelt dat God contact legt met de mens. Het initiatief ligt bij God. Uit de bijbel en uit andere religieuze geschriften blijkt uit verhalen hoe dat in zijn werk zou kunnen zijn gegaan. Het zijn prozaïsche vertellingen waarop vanuit een atheïstisch standpunt nogal wat valt af te dingen. Wat dan ook geregeld gebeurt.

Ik noem het vertellingen, verhalen die betekenissen samenvatten, samenballen. Deze betekenissen hebben een gelaagdheid die met het aanwijzen van tegenspraken in de tekst of met verwijzingen naar onze eigen werkelijkheid niet zijn opgelost of weggeredeneerd. Een atheïstische aanval op het zogenaamde waarheidsgehalte van deze verhalen zegt nog helemaal niets over de betekenis van deze verhalen met betrekking tot het feit van de Openbaring. Het zegt enkel dat de toehoorder deze betekenis niet pikt omdat hij niet in God gelooft. Het verhaal echter staat als een huis: als verhaal. Maar is het ook meer dan dat? Kunnen wij uit deze verhalen, deze vertellingen conclusies trekken over het bestaan van God en zijn relatie met de mens? Rosenzweig doet dat wel in zijn Stern der Erlösung. Hij stelt dat Openbaring geen afgesloten hoofdstuk is in de geschiedenis van de mens maar dat zij nog voortdurend plaatsvindt. Zijn argument daarvoor is een persoonlijke ervaring, op micro-niveau dus. Zijn bekeringservaring, zijn ervaring dat hij thuis hoort in het Jodendom, zijn thuiskomst als het ware, beschrijft hij in woorden van een liefdesaanbod van de kant van God. Hij heeft deze ervaring gehad en noemt haar Openbaring. Via de liefde, het aanbod van liefde van de kant van God komt Openbaring in het leven van een mens. Deze individuele ervaring is niet uniek voor Rosenzweig, auteurs uit de mystieke traditie uit de verschillende godsdiensten leggen er getuigenis van af. Maar de waarheid van dergelijke gebeurtenissen met het oog op een conclusie ten aanzien van het bestaan van God is moeilijk te bevestigen omdat het zeer individuele ervaringen blijven. We moeten het doen met hun getuigenis. In die zin zijn de bijbelse verhalen ook een vorm van getuigenis, gestileerd, dat wel, maar eronder zit een vorm van getuigenis. Onze religies, onze geloofswijzen zijn gebouwd op deze getuigenissen. Zonder deze, zonder het offer om er zelfs voor te worden vervolgd of ervoor te sterven, zouden ze nooit die aantrekkingskracht hebben kunnen krijgen zoals ze nu hebben op mensen.

god in het landschap en in het lichaam

In mijn sabbatical (2005 en 2010) heb ik de vraag naar Openbaring op een eigentijdse en zeer persoonlijke wijze te gesteld. Vindt Openbaring nog plaats in het heden? Die vraag heb ik verkend vanuit de kunst: God in het landschap. Wat zeggen en schilderen landschapschilders als zij geconfronteerd worden met een vorm van sacraliteit in het landschap? Is hier werkelijk sprake van Openbaring of leggen die kunstenaars dat in hun werk als een vorm van getuigenis dat net zo werkt als het getuigenis in een verhaal? Ik vermoed het laatste, maar dat doet niets af aan het feit dat deze aanwezigheid van het goddelijke in het landschap ervaren wordt door de kunstenaar. Alleen de stelligheid van een bijbelse auteur ontbreekt meestal. Het gaat veel eerder om een zoektocht die beschreven wordt in deze getuige- nissen van kunstenaars. Op een website heb ik deze verkenning in de kunst en het verslag ervan in een essay gepubliceerd: http://landscape.canandanann.nl.

In de tweede periode heb ik mij geconcentreerd op het lichaam van de mens, God in het lichaam, vanuit de vraag hoe het mogelijk is dat wij aan het lichaam bijzondere kwaliteiten toedichten (God is zelfs menselijk geworden in Jezus van Nazareth) en toch als mensen er vaak zo achteloos ermee omspringen. Miljoenen zijn vermoord en gekweld in de menselijke geschiedenis. Het is pregnant dat er een grote ambivalentie bestaat ten aanzien van het menselijk lichaam. Vanuit grenservaringen van oorlog en marteling heb ik de effecten onderzocht en de oorzaken van dit handelen. Het verabsoluteren van het eigen lichaam en de daaraan gekoppelde vorm van almacht hangen samen met het zonder pardon onderdrukken en vermoorden van anderen die niet hieraan voldoen. Naast een opgehemeld zelfbeeld is er sprake van een vijand-beeld. Samen vormen zij een soort van wereldbeeld dat de mens als lichaam geen recht doet omdat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de goeden en de kwaden. Met alle gevolgen van dien. De geschiedenis leert ons nog dagelijks de wrange uitkomst hiervan. Deze tekst, ook weer in de vorm van een essay is te vinden op de website: http://wereld-zelfbeeld-lichaam.canandanann.nl

Deze ambivalente houding ten aanzien van het lichaam komt in een bijzonder licht te staan als je bedenkt dat het christendom een Messias vereert die gruwelijk werd vermoord. God neemt de gestalte aan van een mens, maar deze mens gaat ten onder, wordt gedood en volgens de overlevering is hij opgestaan uit de dood. Maar het lichaam is er dan niet meer zoals wij dat kennen als levenden. Voor het lichaam is de dood het absolute eindpunt. Het christendom leert echter dat de lichamelijke dood niet het einde is. Staan blijft dat een goede omgang met dit lichaam niet vanzelfsprekend gegarandeerd is vanuit het christendom als religie – zeker niet als de volgelingen moedwillig hun lichamelijke existentie in de waag- schaal stellen om hun gelijk te halen. De vraag hieronder luidt: wil God zich zo openbaren, is er geen andere weg dan via kruisdood, marteling en zelfopoffering? In Tenach wordt over God gesproken terwijl hij zich openbaart in of doormiddel van natuurverschijnselen, wonderen (redding door de zee) en door zijn geboden. Deze geboden dienen als richtingwijzer op weg naar het beloofde land en later door het leven. In de evangelies verwijst Jezus van Nazareth voortdurend naar deze weg volgens de geboden en is zijn leven in die zin richting wijzend. Uiteindelijk kost hem dat de kop. De duiding daarna luidt vaak dat het zo heeft moeten zijn, dat God zich zo in onze menselijke geschiedenis op een nieuwe wijze openbaart. Niet voor niets noemt Paulus dat dwaasheid in de ogen van de heidenen, een teken dat afkeer, afschuw, afkeuring oproept bij de mensen in die tijd. En toch onderschrijft hij het ook als een belofte voor ons allen dat de lichamelijke dood niet het laatste woord heeft.

Hiermee zitten wij eigenlijk in een nieuw discours, een denken dat verondersteld wordt: namelijk het lichaam is van tijdelijke aard, het lichaam is drager van een onsterfelijke ziel, het lichaam is voorlopig. Komt Openbaring er hierop neer dat wij dat leren ervaren in ons leven, dat wij weten en kennen dat ons lichaam slechts voorspel, slechts begin is van een nieuwe, een andere fase? Hebben we dus een onsterfelijke ziel, door God in ons lichaam gehuisvest? Net zomin als voor God hebben we hiervan geen bewijs. Maar het blijft wel een intrigerende vraag.

In mijn teksten over het landschap en het lichaam spelen een aantal begrippen een belangrijke rol. Het zijn sleutelbegrippen die ik in de teksten gebruik om mijn verhaal te structureren. In God in het landschap is het de tegenstelling op de achtergrond van de menselijke autonomie versus de heteronomie. Onze autonomie als subject krijgt in de loop van de geschiedenis van de filosofie een steeds prominentere plaats toegewezen. Daardoor is de ervaring van heteronomie zoals die tot uitdrukking komt in overweldigende natuurervaringen (bronnen van inspiratie en basis voor de landschapschilder) soms weggedrukt. De mens kwam minder in contact met de natuur tijdens het leven in een uitdijende stad. De Romantiek zou je daarom ook een poging mogen noemen om terug te keren naar dit gevoel en deze ervaring van heteronomie die door het landschap bemiddeld wordt. Kunst zou je sinds het ontstaan van het museum als een vorm van toegang kunnen beschouwen tot een niet meer alledaagse werkelijkheid. Kunst, het museum, het atelier werden zo plekken waar een andere wereld werd getoond en verbeeld, een heterotopie, letterlijk een andere plaats, anders dan de vertrouwde thuissituatie. Fantasielandschappen uit de Romantiek leggen daar getuigenis van af. Ik heb een aantal kunstenaars bestudeerd met behulp van deze bril waarin het begrip heterotopie in deze wijze opgevat centraal stond. Het begrip zelf heb ik ontleend aan een toespraak van Michel Foucault voor architecten waarin hij de ruimtelijke kenmerken van onze moderne tijd uiteenzette.

In God in het lichaam speelt het begrip heterotopie eveneens een belangrijke rol omdat de mens in zijn leven fasen doormaakt waarin hij telkens op andere plekken verkeert en daardoor gevormd wordt. Denk aan school, de kazerne, het schip. De mens is een relationeel wezen, gekleurd door zijn relaties, gekleurd door de heterotopiën waarin hij zich bevindt of bevonden heeft. Maar om aan het feit van de eigen lichamelijkheid, het innemen van de ruimte als lichaam, en het besef dat je zelf een lichaam hebt en een lichaam bent (een vorm van zelfbewustzijn) recht te doen heb ik het begrip auto-topie bedacht. Het lichaam is voor de mens een ruimte, een auto-topie waarin het zelf als het ware woont, huist, zich bevindt. Heterotopie en auto-topie vormen samen het begrippenpaar dat in deze tekst centraal staat. Een zelf dat in een lichaam woont ondergaat de effecten van de plaatsen en relaties waarin het zich bevindt. Het lichaam als zelf-plaats, auto-topie, draagt hiervan de sporen. Een erg extreme vorm van heterotopie die veel sporen nalaat is het concentratiekamp. Een andere de folterkelder. Deze grenservaringen leiden ertoe dat de vragen rond lichaam, zelf, en bewustzijn en hun onderlinge samenhang en verwoording in een wereldbeeld extra scherpte krijgen. Ook religieuze ervaringen krijgen er een andere kleur door omdat het gaat om existentiële diepgaande ervaringen die hun sporen ook religieus nalaten. Wat is opstanding uit de dood als je deze hoop afzet tegenover de miljoenen die uit de schoorstenen van Auschwitz verdwenen, of de miljoenen die in Rusland of China tijdens zuiveringen werden afgeslacht. Waarover spreken we dan?

Veel vragen die in mijn teksten worden gesteld hebben geen antwoord gekregen omdat ze te veelomvattend zijn en te moeilijk. Maar het is wel goed om hen te stellen, omdat zo wordt voorkomen dat naïeve opvattingen de overhand krijgen in de verwoording van het religieuze denken. Naast het spoor van de tekst die deze vragen opwerpt heb ik een parallelspoor getrokken met poëzie omdat ik van mening ben dat de werkelijkheid ook poëtische kwaliteit (dwz waarheid) bevat. Poëzie heeft de kracht om op een geheel eigen wijze vragen te stellen en wegen te wijzen. Vandaar dat elk hoofdstuk een gedicht aan begin en einde staat vermeld dat verwijst naar de inhoud van het besprokene, maar dan op een geheel eigen wijze.

god in de kosmos

De begrippen autonomie en heteronomie, auto-topie en heterotopie geven dus de structuur aan waarbinnen het begrip Openbaring een plek kan krijgen om geduid te worden. Maar Michel Foucault kent het begrip heterotopie nog een betekenis toe: wij mensen zijn namelijk deel van netwerken en dit deel hebben aan die netwerken, er deel van uitmaken heeft betekenis. De mens is een soort van knooppunt waardoor heen relaties gestalte krijgen en die dit zelf als knooppunt bepalen. Ik noem dat voor het gemak autonodus, de mens is een zelf-knoop. Daar tegenover of verbonden mee zijn er anderen die knooppunt zijn in het netwerk, heteronodus. Voor het zelf zijn die anderen referentiepunt en contactpunt, samen zijn ze onderdeel van een groter geheel. Denken vanuit het niveau van netwerken sluit aan bij de huidige ontwikkelingen op het gebied van sociale media en computertechniek, op het niveau van nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen en het globale karakter van onze wereld. Alles is met alles en iedereen verbonden. Dat maakt meteen de vraag zichtbaar die met betrekking tot Openbaring kan worden gesteld: waar bevindt zich God in dit netwerk, en groter in deze kosmos? Als wij vanuit de wetenschap steeds meer kunnen doordringen in de allerkleinste bouwstenen van ons heelal en zo kunnen terug redeneren naar het eerste begin, en als wij omgekeerd meer en meer in staat zijn ook de macrosferen te bestuderen, wat betekent dat dan voor de vraag naar God en zijn Openbaring? Daarom start ik nu met een onderzoek om deze vraag te verkennen met speciale aandacht voor de rol van het menselijk lichaam als plaats van ontwikkeling. Waarom ook het lichaam erbij betrokken? Omdat de evolutie niet is blijven staan in het jaar 0. De mens ontwikkelt zich ook lichamelijk verder en via wetenschap en techniek komen er nieuwe vergezichten in beeld waar we niet van hebben durven dromen. Als het menselijk lichaam gekoppeld zal worden aan informatiesystemen en aan machines staan ons heel nieuwe vormen van menselijk bestaan te wachten. Zover is het nog niet, maar het zit er wel aan te komen. Is er een God ook voor cyborgs? We zullen zien.

John Hacking (2012)

gepubliceerd in

En Toch,  Jaargang 34, no. 1, mei 2013

Afbeelding

Kennis en duurzaamheid

 

Vandaag nam ik deel aan een workshop over de vraag hoe de campus van de Radboud Universiteit er in 2023 zou kunnen uitzien met het oog op een duurzame universiteit. Veel aspecten rond duurzaamheid passeerden de revue gebaseerd op de “Natural Step”-methode. Wij werden uitgenodigd om via “backcasting”, een positie in de toekomst, terug te kijken naar het hier en nu. Eerst dromen over hoe het zou kunnen zijn met betrekking tot een duurzame universiteit, dan kijken hoe het nu is, en dan oplossingen bedenken om de gedroomde toekomst te bereiken. Al met al een boeiend proces waarin leuke ideeën en suggesties naar voren kwamen.

Zelf stelde ik in de brainstorm ronde voor om het begrip kennis en kennisoverdracht eens grondig onder de loep te nemen omdat mijns inziens er grote veranderingen op til staan. Als onze samenleving meer en meer virtueel en digitaal wordt heeft dat ook grote gevolgen voor de universiteit en voor de wijze waarop daar kennis wordt overgedragen en verder ontwikkeld via onderwijs en onderzoek. Thuis gekomen besefte ik dat een samenleving die meer en meer digitaal vertakt is ook andere vormen van communicatie zal invoeren. Moeten we nog grote gebouwen en universiteitsterreinen onderhouden als studenten ook via hun laptop kennis kunnen nemen van de leerstof? Iedereen een Ipad, iedereen verbonden met elkaar via internet, via interactieve methodes met elkaar communiceren en ideeën uitwisselen, samenwerken aan opdrachten en ga zo maar door. Is er nog wel een docent voor de klas nodig als die nu al grotendeels steunt op powerpoint-presentaties in zijn onderwijs? Kan dat niet veel beter via interactieve programma’s waarin de student uitgenodigd wordt om meteen te anticiperen op wat hij leert? Dat betekent dat veel gebouwen overbodig worden omdat ze niet meer intensief worden gebruikt, dat betekent ook dat papier niet meer zo nodig is, en dat betekent dat een bibliotheek zoals die nu functioneert achterhaald is.

Maar wat is kennis in zijn diepste wezen? Dat is een filosofische vraag, maar wel een vraag die van belang is als het een universiteit betreft. Kennis is niet alleen maar overdracht van feiten, ook niet het aanleren van strategieën en handelingsmodellen of het toepassen van onderzoeksmodellen. Kennis vergaren, kennis opdoen, kennis toetsen, kennis verder ontwikkelen, doorgeven, communiceren, het zijn net zovele aspecten ervan als mogelijkheden om met kennis om te gaan, maar ze zeggen nog niets over het wezen ervan. Moet dat dan? Ik vermoed van wel want er zijn al heel wat mensen die beweren dat wij letterlijk verbonden moeten worden met de computer omdat de kennis zich zo snel vermeerdert dat wij het met ons verstand (en dus met ons lichaam) niet meer bij kunnen houden. Deze ‘post-humanisten en trans-humanisten’ die dit bepleiten zien een toekomst voor zich waarin wij niet alleen virtueel maar reëel verbonden zijn met de computer en met internet. Ik vermoed dat het niet lang zal duren voordat wij dan kunnen onderscheiden tussen ‘knowledge-integrated-systems’ (KIS) and knowledge-not-integrated-systems’ (KNIS). Het eerste slaat dan op de verbinding tussen onze hersenen en de virtuele wereld via een lichamelijke verbinding met de computer en het tweede op het ontbreken van die lichamelijke verbinding, de situatie zoals hij meestal nu is.

De verhouding tussen KIS en KNIS zal er misschien een worden die aller onvriendelijkst is omdat de KISsers gaan denken dat zij kennis en daardoor macht bezitten die de KNISsers ontbreekt omdat zij het moeten blijven doen met hun blote verstand. Er ontstaat een tweedeling in de maatschappij op basis van het bezit en de mogelijkheid of toegang tot kennis. Nog niet opgelost is de vraag hoe die kennis verzameld en opgeslagen moet worden zodat deze ook bruikbaar blijft. Selectiemechanismen zullen zoals nu van doorslaggevende betekenis worden. Wat we nu met ons brein doen op basis van keuzes, inzicht, intuïtie en toeval zal dan ook mede door de computer moeten gebeuren. Dat zal geen eenvoudige zaak worden, dus het zal zo snel niet lopen.

Maar wat is kennis? om deze vraag nog maar een keer te stellen. Wat is kennis – hoe vast en hoe relatief? Hoe reëel en hoe virtueel? Gaat kennis verloren, of blijft ze voor eeuwig behouden? Daarmee samen hangt ook de vraag naar waarheid, naar ware kennis. Waarheid en kennis zijn begrippen die nauw samenhangen en die niet zonder elkaar kunnen. Is er ook niet-ware kennis? Is kennis op de een of andere wijze niet altijd waar? Inhouden van kennis kunnen verschillen, waar of niet waar zijn, maar kennis als zodanig valt buiten deze vergelijking, zo lijkt me. En is kennis enkel iets dat mensen toekomt, of hebben dieren ook een vorm van kennis en planten ook? Kunnen we dat meten, kunnen we dat toepassen voor ons zelf? Een plant die zich wonderbaarlijk goed aanpast aan de omgeving, kunnen we daarvan leren en kunnen we die vorm van ‘kennis’ inzetten voor ons eigen functioneren? Dit zijn allemaal vragen waar ik het antwoord niet op weet.

‘Ken uzelf’ luidde de spreuk boven de Griekse tempel van Apollo in Delphi, γνῶθι σεαυτόν gnothi seauton, KEN uzelf. Kennen is in het Grieks: inzicht hebben, kennis verkrijgen, kentekens toekennen. Iemand (be)kennen is in het Hebreeuws geslachtsgemeenschap hebben. Het is dus meer dan het verzamelen en opslaan van gegevens, van weetjes, van feiten. Kennis en kennen is in diepste wezen een proces, een deel van een kenproces, een transformatie, een transitie, een doorgang, overgang, doortocht, een pelgrimage, een wandeling, een verandering want door de nieuwe ervaringen en de opname daarvan gebeurt er iets nieuws. Wat net was, wat gisteren plaatsvond is heden anders omdat de ervaringen in de tussentijd de dingen en de opvattingen erover hebben veranderd.

Kennis is een vorm van betekenis toekennen en vastleggen die verschuifbaar, veranderbaar is. Kennis is semiose, betekenisgeving die aan verandering onderhevig is. Een computer die niet leert in de zin van hoe wij leren verstaan van fouten zal het snel afleggen tegen het menselijk verstand. Een computer die kan schaken is nog heel wat anders dan een computer die ons moet begeleiden op onze levensweg als wij de vraag naar de zin van ons leven stellen. En die zin van ons leven is niet een aaneenschakeling van het verlangen naar gewenste hoogtepunten. Als wij in ons leven al kunnen leren van de dieptepunten, de crisissen waar we in belanden, als wij nadelen om kunnen zetten in voordelen, gebruik kunnen maken van stiltes, meditatie, van bezinning, een pas op de plaats, dan betekent dat nog niet dat wij dat zomaar beter zouden kunnen doen met behulp van een computer. In die zin jagen de ‘posthumanisten en trans-humanisten’ een spook na omdat ze te eenzijdig bezig zijn. Misschien speelt het verlangen naar een erg lang leven en zelfs een leven zonder dood hen wel zoveel parten dat ze de echte werkelijkheid van lukken, mislukken, falen en verlangen wel uit het oog verliezen.

Onze samenleving zit nog steeds vol geweld, het menselijk brein, de menselijke existentie heeft ook een kant die donker is: dat blijkt uit de agressie, de oorlogen, het geweld dat dagelijks plaatsvindt. Dat los je ook met computers niet op. En ook niet met een toename van kennis alleen. Dat moet op een ander niveau gebeuren als het al mogelijk is. Ik besef dat een echt antwoord op de vraag naar wat kennis is, hier niet gegeven wordt. Huiswerk dus voor later, huiswerk om mee te nemen als wij spreken over transitie naar een duurzame universiteit waarin ieder tot zijn recht kan komen als mens en als medemens, in al zijn aspecten. Huiswerk ook dat, mits genegeerd, wel eens tot kwalijke gevolgen kan leiden omdat techniek en technische ontwikkelingen nu eenmaal niet halt houden bij ethische overwegingen en overtuigingen. Als het kalf verdronken is dempt men de put, maar deze put is virtueel en wordt dieper en dieper en dieper.

 

John Hacking 16 april 20

 

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Kernelementen in je leven

Afbeelding

Kernelementen in je leven – aandachtspunten

Ieder leven kent hoogte en dieptepunten, ups and downs. Om een handvat te hebben om eens naar je leven te kijken stel ik de volgende punten voor:

  1. Balanservaringen tussen leven en ambitie (evenwicht): RELAX
  2. Compleet leven ipv fragmentarisatie (fixatie op prestatie): HEELHEID
  3. Horizon in je leven – waar doe je het voor: PERSPECTIEF
  4. Inzet in je leven voor doelen – je visie gestalte geven: ACTIE
  5. Communiceren en toetsen van je inzichten en acties: DIALOGEREN

Deze 5 dimensies of aandachtspunten beïnvloeden elkaar en vormen samen een geheel – een soort van kader – waarmee je naar je leven kunt kijken en erop kunt reflecteren. Soms volgt de ene dimensie uit de andere, soms vinden ze samen plaats. Feedback op of conclusies uit bepaalde stappen kunnen weer tot een nieuwe horizon leiden. Zingeving en actie, betekenisgeving en inzet horen bij elkaar. De juiste maat, het goede evenwicht ontdekken is soms een zaak van trial and error. Crisiservaringen zijn ook kansen om gemaakte fouten, het soms teveel doorschieten in één richting te vermijden. De goede balans vinden is geen kwestie van theorie van maar van praktische ondervinding.

Ontspanning, ervaringen van heelheid, perspectief in je leven en de wegen die je gaat, tegenover welke horizon, inzet en actie, en communiceren over wat je bezighoudt en wat je wil met je leven zijn elementen die je kunnen helpen om je leven te structureren en vorm te geven. Ze kunnen je helpen om eens goed naar de positie te kijken waar je je momenteel bevindt en wat dat met je doet.

Elke keuze is ergens op gebaseerd, elke richting die je kiest, elke daad heeft een prijs. Ben je bereid de prijs te betalen, dan valt het meestal lichter dan dat je dat niet bent want dan wordt het te zwaar en loop je het gevaar voortijdig af te haken. Je bewust worden van de prijs die je moet betalen is dus een begin van de afweging omtrent de weg die je wilt inslaan.

Relax, heelheid en perspectief horen wezenlijk bij elkaar. Opgefokt maak je snel verkeerde keuzes. Als daden je geen heelheid opleveren maar verscheurdheid blijf  je ook rondcirkelen in ontevredenheid. Zonder perspectief verzanden ja acties al snel en verlies je hoop en vertrouwen. Een doodlopende weg dus. Kortom deze kernelementen zijn het overwegen de moeite waard.

John Hacking

1 maart 2013

Afbeelding

 

Alles im Griff

Afbeelding

“Alles im Griff”

Dat geeft een kick als je het gevoel hebt dat je de touwtjes strak in handen hebt, dat je meester bent over de situatie, dat je bent voorbereid en klaar, wat er ook gaat gebeuren. En, je verwacht niet dat er dingen plaats gaan vinden die je uit je evenwicht zullen halen. Kortom je bent blij, je voelt je goed, het gaat goed.

Natuurlijk heb je dat gevoel niet elke dag. Soms kan het behoorlijk tegenzitten en schijnt de hele wereld je tegen te werken. Als niets uit je handen komt of als je alles laat vallen wat je aanraakt. Dat heb je je dag niet. Ben je niet blij, want het gaat niet goed.

Dat is precies het omgekeerde gevoel van “Alles im Griff”. En als daar ook nog bijkomt dat je toekomst op losse schroeven komt te staan omdat je geen zekerheid hebt met betrekking tot een relatie, tot een baan, tot een gelukkig leven, dan kan het behoorlijk beroerd voelen. “Nichts im Griff!”

En toch is dat laatste eigenlijk kenmerkend en fundamenteel voor onze menselijke existentie. Uiteindelijk hebben we niets in handen, houden we niets in handen omdat we sterfelijk zijn. Onze existentie is er een “zum Tode” zoals de Duitse filosoof Martin Heidegger het zo mooi heeft uitgedrukt. Mooi en zwartgallig, maar wel realistisch.

Dat gezegd hebbende kunnen we verder. Kijken wat we dan wel in handen hebben. Kijken waar we dan wel blij en gelukkig van kunnen worden. En dat kan veel zijn, heel veel zelfs als we leren te relativeren, als we leren om niet alles te willen hebben, of op teveel dingen onze zinnen te zetten.

Is dat nodig? Jazeker. We leven in feite in een maatschappij waarin schaarste belangrijker wordt omdat de grenzen van de economische en materiële groei zo langzaam aan bereikt zijn. Als wij in een samenleving leven waarin, zo Jan Jonker, hoogleraar duurzaam ondernemen aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, in een interview in de NRC zegt, dat vorig jaar 43 miljard dollar besteed is aan voedselhulp en 18.000 miljard dollar aan het redden van de bankensector, dan is er iets goed fout in deze samenleving.

Wie profiteert van wie, wie gaat erop vooruit en hoelang zal dat nog duren. Als de massa’s wakker worden die nu nog kind van de rekening zijn zal onze wereld grondig veranderen. Hopelijk niet gesmoord in bloed, als wraak voor zoveel en zolang gedragen onrecht. Binnenkort kan iedereen toegang krijgen tot de noodzakelijke informatiebronnen en kan echt iedereen zelf reconstrueren hoe wij onze menselijke geschiedenis gestalte hebben gegeven. Het verschil tussen de “have’s and have’s not” is al eeuwen reusachtig. Daar wordt niemand echt blij van.

Jan Jonker pleit voor een nieuwe wijze van denken om het idee dat vooruitgang alleen maar gebaseerd is op economische groei en consumptie een halt toe te roepen, of beter om het om te buigen naar een meer duurzame wijze van produceren, consumeren en samenleven.

Maar hoe kunnen we anders gaan denken? Hoe de noodzakelijke switch maken naar een duurzame en rechtvaardige samenleving? Doorgaan met hetzelfde is niet slim. Maar hoe dan anders? Meer cyclisch gaan denken, meer produceren op een wijze waarop grondstoffen niet verdwijnen maar her inzetbaar zijn? Om maar een aspect te noemen. En dat is de buitenkant. Hoe zit het met de binnenkant?

Met ons leven is veel winst te behalen als wij ervan doordrongen raken dat wij zelf ook onderdeel van dit proces zijn. Als we in staat zijn om een pas op de plaats te maken, de diepte in met ons ervaren en denken in plaats van vooruit, en van meer en meer. Bijvoorbeeld: weten dat je leven eindig is, waarom dan eeuwig willen leven? Waarom steeds meer bezit, steeds meer macht, steeds meer genot? Ook wij kunnen een cyclisch leven voeren in plaats van een ratrace tegen de klok. De natuur toont het ons elk seizoen. In die kringloop zijn we opgenomen, we maken er al op een natuurlijke wijze deel vanuit. Het is nu alleen nog zaak ons denken en ons handelen hieraan aan te passen. “Alles im Griff” is dan helemaal niet meer nodig, dat scheelt een hoop stress.

John Hacking

5 februari 2013

digitale god

De digitale God

De virtuele werkelijkheid heeft ook effect op de vormgeving en beleving van de werkelijkheid van het goddelijke, of datgene wat iemand onder God wil verstaan.
Als de digitale expansie van alle mogelijke en feitelijke werkelijkheden steeds meer tot het dagelijkse patroon gaat behoren blijft de wereld van de godsdienst daar niet buiten. Niet alleen cultuur, de werkelijkheid van de voorstellingen en dromen, de kunsten en ook het religieuze domein wordt erdoor bepaald. Ik spreek over expansie omdat de digitale revolutie die eraan zit te komen nog maar pas begonnen is. Het is niet alleen een expansieve beweging (want alles wordt er door geraakt, denk aan de onderwijskundige wereld, de medische en technische wereld), het is ook een revolutie omdat het een totaal nieuwe ontwikkeling is die geen precedent in de geschiedenis heeft van de mensheid.

Wat betekent of zou dat nou kunnen betekenen voor onze beelden van God, de ervaring van het goddelijke en de religieuze praktijken? Voor veel niet religieuze of gelovige mensen kan godsdienst en de religieuze werkelijkheid sowieso omschreven worden als een virtuele grootheid die in de werkelijkheid (en wat daar voor doorgaat) niet bewijsbaar is omdat God onbewijsbaar is. Het enige dat aantoonbaar is, is het religieuze verlangen in mensen en de vertaling daarvan. Voor gelovigen is dat al vaak genoeg bewijs en zoeken zij niet verder omdat echte bewijzen (wat dat dan ook mogen zijn) niet verkrijgbaar zijn: hun verlangen is bewijs genoeg. Religie en geloof zijn dus menselijke grootheden, gebaseerd op ervaringen van verlangens. Religie en godsdiensten hebben dit verlangen stem gegeven en gethematiseerd en in culturele uitingen zichtbaar gemaakt en verbeeld. In de zin kan de digitale expansie ook mogelijkheden bieden tot verdere presentatie van dit verlangen in beelden en concepten. Virtuele beelden kunnen uitermate geschikt zijn om dit verlangen stem en kleur te geven. Net zoals een film het bijbelverhaal dichterbij kan brengen. Maar als de waarheidsclaim wordt gesteld kan ook de digitale werkelijkheid geen zekerheid bieden. Wij blijven zitten met overgeleverde verhalen en getuigenissen: geloofsgetuigenissen. Dat is het dan.

Maar vormt de digitale revolutie ook een gevaar voor de religie en de godsdiensten? Als onze samenleving meer en meer wordt gedigitaliseerd kunnen wij hierop aansluiten door digitale middelen in te zetten in vieringen en rituele handelingen. Maar is dat goed? Roept het niet veel eerder het gevoel op van nu ook digitaal gemanipuleerd te worden, en dat omtrent een werkelijkheid die ons virtueel wordt voorgespiegeld als een ware realiteit? Dat wordt dan vanuit de beleving van de feitelijke realiteit een dubbele wijze van bedrog. Als verbeelding van ons verlangen, als virtuele toevoeging in de vorm van kunst etc. om dit verlangen stem te geven, okee, maar als de pretentie moet worden gewekt dat God er ook echt is en dat we dat virtueel kunnen laten zien, dan doen we aan verering van een afgod en overtreden we het beelden/afbeeld-verbod. Ook in de digitale wereld geldt onverkort het verbod om God te verbeelden. Dat geeft een zekere mate van troost want het houdt de werkelijkheid open.

John Hacking
27-12-2012riesengebirge